Jack had de drie vreemdelingen de hand gedrukt, waarbij alleen Henderson geen spier had vertrokken, en daarop ontdeden de drie jagers zich van hun dikke pelsen om in afwachting van den maaltijd aan het heerlijk koesterende houtvuur plaats te nemen, en een klein glas sterken brandewijn te drinken—gesmokkeld vóór de wet op het drankmisbruik was afgekondigd!
En nu was het ook nog mogelijk, het gelaat van de drie vreemdelingen beter te beschouwen.
Een hunner was ongeveer veertig jaar, te oordeelen naar zijn licht grijzend haar, ofschoon zijn gelaat nog geen enkelen rimpel vertoonde, en zijn grijze oogen schitterden als die van een jongeling.
Hij had scherp gesneden trekken, die van groote schranderheid getuigden en van een wilskracht die voor niets terugdeinst.
De tweede jager was veel jonger, en had een zacht blozend gelaat, rond en bijna vrouwelijk, waarin twee helderblauwe oogen straalden.
De derde eindelijk was gebouwd als de Farnesische Hercules, met schouders die de wereld schenen te kunnen torsen, een borst als een aambeeld, armen als voorhamers en harde vuisten die een os konden vellen.
De oudste man was John Raffles.
Hij had gehoor gegeven aan een onweerstaanbaren aandrang tijdelijk Londen te verlaten, de stad, waar hij zoo ijverig werd gezocht door de politie, wegens een aantal stoutmoedige inbraken, waarvan niemand anders dan Raffles de dader kon zijn geweest, volgens de heeren van Scotland Yard.
Meermalen gebeurde het dat dit leven van avontuurlijke inbraken, gevaarlijke ondernemingen, hem walgde, dat hij vurig verlangde naar de vrije natuur, het leven in een of andere afgelegen streek, waar de beschaving nog niet was doorgedrongen, de jacht op wild gedierte, den omgang met nog onbedorven menschen, het inademen van een zuivere lucht!
En zoo had hij op een schoonen morgen zeer vroeg in de lente zijn eenigen trouwen vriend Charly Brand het voorstel gedaan, „wat te gaan jagen aan de oevers van de Jukon”, alsof het de eenvoudigste zaak der wereld was.
De jonge man had hem tegengeworpen dat het daarginds zeker nog zou winteren, en dat het klimaat er weinig minder bar was dan aan de Pool, maar dit had Raffles niet kunnen weerhouden.
Henderson had de vliegmachine in orde moeten brengen, waarmede Raffles reeds meerdere malen den oceaan was overgevlogen, en juist een dag, nadat Raffles zijn voorstel tot het „uitstapje” had gedaan, steeg de „Duivel der Lucht”, zoo was de naam van deze wonderbaarlijke machine, aan het vernuftig brein van den Grooten Onbekende ontsproten, en die een snelheid van meer dan 500 Kilometer per uur kon bereiken—vroeg in den morgen dicht bij Londen op—om nog dienzelfden dag, tegen het vallen van de schemering in de buurt van Montreal te dalen.
Den volgenden dag werd de reis voortgezet, en des middags daalde de machine voor de tweede maal bij Fort Reliance, aan de Jukon, op Canadeesch gebied, maar dicht bij de grens van het Territoir van Alaska gelegen.
Daar had Raffles de vliegmachine achtergelaten, en toevertrouwd aan de hoede van den garnizoensbevelhebber, om verder te voet, te paard, met een slede, door honden of rendieren getrokken, verder te reizen.
In Europa hadden de eerste voorboden van de lente zich reeds kenbaar gemaakt—hier lag nog alles diep onder de sneeuw, en het was vinnig koud.
Van de Jukon waren de drie jagers naar de oevers van de Tanana overgestoken meestal per slede, door sterke honden getrokken, waarbij zelfs Fang zijne diensten verleende, die het niet scheen te kunnen aanzien, dat hij door zijn soortgenooten werd vervoerd, zonder zelf iets te doen.
Wel was er een hevige strijd ontbrand met de witte Eskimo-honden, die geen indringer schenen te willen dulden, maar Fang was overwinnaar gebleven en trok daarna lustig mede.
Op den tienden dag van hun reis, die steeds verder Noordelijk ging, hadden zij Jack Brunt aangetroffen, die juist zijn vallen nakeek, en dadelijk met de kenmerkende gastvrijheid van den Schot, de drie vermoeide mannen naar zijn blokhuis had geleid, waar zij tot hun niet geringe verbazing de bevallige Grace hadden aangetroffen.
Vier dagen hadden zij in het blokhuis overnacht, slapende op de dikke vachten der reeds geschoten blauwvossen, zilvervossen, otters en beren, en zij hadden groote genegenheid opgevat voor den jongen Schot, die hier geheel alleen met zijn vrouwtje de woestheid van het klimaat en de streek trotseerde en steeds even opgewekt en blijmoedig was.
HOOFDSTUK II.
DEMON GOUD.
Terwijl Grace druk in de weer was om het eenvoudig middagmaal gereed te maken, zaten de vier mannen voor het vuur, en spraken over den uitslag van de jacht.
—Zijt gij nogal tevreden over het resultaat, mijnheer? vroeg Jack, zich tot Raffles wendende.
—Alles in aanmerking genomen—ja, ik ben tevreden! antwoordde Raffles. Vergeet niet dat wij ongeoefend zijn op dit gebied!
—Maar uw prachtige hond zal u wel van veel nut zijn geweest? ging Jack door terwijl hij het dier over den kop streelde. Hebt gij dien hond uit Europa medegebracht, als ik vragen mag?
—Ja, een mijner vrienden bracht Fang een paar maanden geleden voor mij mede van Prince Albert Land—nog heel wat Noordelijker gelegen dan Alaska! Daar worden deze honden door de Eskimo’s veel gebruikt bij de robbenjacht. Fang is een bijzonder groot en sterk exemplaar! Hij heeft vandaag geholpen, om ons niet platzak te doen thuiskomen—een paar wilde ganzen, een koppel sneeuwhoenders, en drie blauwvossen! Natuurlijk doet gij ons het genoegen en behoudt de vellen van die dieren—tenminste als wij de huid niet al te zeer met onze kogels beschadigd hebben!
—Hebt gij die vossen met een kogel en niet met hagel geschoten, Mijnheer? riep Jack vol bewondering uit. Dan maak ik u mijn compliment! Dat is zeker niet ieders werk! De blauwvos is zeer snel en schuw! En luister nu! Ik zou u niet gaarne willen wegjagen, maar als gij nog een dagreis verder naar het Noorden trekt, zult gij daar een gebied vinden, waar nog veel zilvervossen te vinden zijn, en veel meer beren nog dan hier! Ik zelf denk er over een paar weken heen te gaan, als er hier niets meer voor mij te doen valt.
—Ik neem uw goeden raad dankbaar aan, mijn waarde Jack, zeide Raffles. Wij mogen ook niet langer misbruik maken van uw gastvrijheid, want jonggehuwden—zoo heb ik altijd hooren zeggen—willen liefst maar zooveel mogelijk alleen zijn!
—O, maar daar kunnen wij altijd nog genoeg van profiteeren, mijnheer! riep Grace met een helder lachje uit. Er gaan weken voorbij, zonder dat wij hier iemand zien passeeren!
—Dat is zoo—maar in de laatste dagen schijnt het mij toch toe, dat ik veel personen door de bergpas zie trekken die mijn huis voorbijgaan—in de richting van Meadow Hill, zeide de jonge pelsjager peinzend. Eenigen tijd geleden sprak ik een houthakker, die daar vandaan kwam, en die mij zeide, dat er geruchten de ronde doen, als zou er daarginds weder goud zijn gevonden!
—Wat of waar is dat Meadow Hill? vroeg Charly Brand nieuwsgierig.
—Des zomers kan men het in enkele uren bereiken, te paard. Maar nu zou men er wel een dag voor noodig hebben. Het ligt aan de Tanana op dezen oever.
—Wat is het—een stad, een dorp? vroeg Charly verder.
—Noch het één noch het andere, mijnheer! antwoordde Jack. Een half jaar geleden was het er nog niet. Maar toen werd er gemompeld dat er daar ergens goud te vinden was—en in een ommezien ontstond daar toen een nederzetting. Ik spreek niet graag kwaad—maar het is meerendeels ontuig, dat daar in zoo’n nederzetting woont, die als bij tooverslag uit den grond is gerezen, mijnheer! Luiaards, dobbelaars, leegloopers en dieven, alles vindt je daar. De gouddorst drijft er het uitschot van deze streek heen—en om de waarheid te zeggen, is dat toch al niet veel bijzonders—de goeden niet te na gesproken! Ik behoef U niet te zeggen, wat daar het eerst wordt gebouwd, als er maar een paar dozijn goudgravers zich vereenigd hebben—een kroeg! En het tweede gebouw is...... meestal weer een kroeg! Een kerk of een school behoeft men er niet te zoeken—die zouden toch leeg staan. Maar toch gaat er wel eens een moedig predikant heen, die zich aan de grootste gevaren blootstelt, om de bandieten te leeren, dat zij elkander niet om ieder wissewasje een kogel door het hoofd moeten jagen.
—Prettig wonen zal het daar zijn! merkte Henderson langs zijn neus op.
—Mijnheer, het is er een hel voor ieder man met een greintje beschaving! riep Grace vol afschuw uit. En ik beklaag de arme vrouwen die daar komen!
—Wonen daar vrouwen? vroeg Charly verwonderd.
—Ja, maar negentig procent is niet veel zaaks, mijnheer! gaf Jack te kennen. Zij bedienen in de kroegen, en zij moeten de jongens aandrijven tot altijd meer drinken—dat is winst voor den baas, en voor haar ook, want zij krijgen een paar procenten van den verkoop. Het heet wel dat de verkoop en het slijten van sterken drank verboden is—maar doe er eens wat tegen!
—Daar is dus in het geheel geen politie? vroeg Henderson vol belangstelling.
—Men kan wel zien, mijnheer, dat gij zoo kersversch uit Europa hier zijt gekomen! antwoordde Jack glimlachend. Politie! Ja, er bestaat zoo iets als de bereden North West Police, en ik zal de laatste zijn, om iets af te dingen op den persoonlijken moed van die mannen—dien zij dan ook wel noodig hebben, want hun baantje is een hondenbaantje! Maar hoe wilt gij, dat die paar honderd man, over een gebied van eenige honderden mijlen verspreid, en waarvan altijd de helft moet uitrusten, de orde handhaven? Als zij een misdrijf kunnen constateeren, dan is het louter toeval! Denk eens wat het beteekent, om in dit jaargetijde, in een land waar heel weinig paarden, en in het geheel geen spoorwegen zijn, van de eene plaats naar de andere te reizen! Ik spreek niet van de groote plaatsen—die hebben een vrij goede politie, maar die heeft daar dan ook haar standplaats, en heeft niets te maken, met wat er elders voorvalt.