DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF
GEÏLLUSTREERD
DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF
Lange, lange jaren geleden, leefde in een groot rijk een machtig vorst, die drie zonen had. De jongste van hen heette Iwan Zarewitsch.
De vorst bezat een tuin zoo schoon, dat geen enkele stad ter wereld kon bogen op het eigendom van een dergelijken tuin. Bloemen en boomen van de zeldzaamste soorten groeiden er, terwijl de vreemdste vogels zongen en zich wiegden op de takken.
Niemand kon zeggen wat er het schoonste was. En daar vond de vorst na de warme dagen koelte en rust.
Er bevond zich echter een appelboom, waar de heerscher het meest van hield, want hij droeg gouden appels.
Eens bemerkte hij, dat met den dag de kostbare vruchten in aantal verminderden. Dat verdroot den vorst zeer, zoo erg zelfs, dat hij wijn noch drank gebruikte en door het groote verdriet zelfs niet slapen kon.
Eindelijk riep hij zijn drie zonen tot zich en sprak:
—Mijn lieve kinderen, jullie ziet, welk zwaar leed aan mijn hart knaagt; jullie moet weten, dat iederen nacht een dief in mijn tuin komt, die de gouden appels steelt, zoodat ik hun aantal met elken dag zie slinken. Hij, die den dief vangt, schenk ik de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook de andere helft hem toebehooren.
Toen spraken de zonen:
—Vader, wij zullen alles doen om den dief te snappen!
Daarna bespraken zij met elkaar wat zij zouden doen. Ten slotte werden zij het eens: ieder van hen zou ’s nachts in den tuin waken.
Den eersten nacht waakte de oudste.
Hij ging onder den boom zitten, en zat er wel een half uur. Hij kreeg pijn in al zijn ledematen en meende, dat het beter was, indien hij zich op het zachte gras ging uitstrekken.
Zoo gezegd, zoo gedaan! En terwijl hij er lag en overdacht hoeveel beter hij nu de zeldzame vruchten kon bewaken, sliep hij door al dat nadenken in, en ontwaakte pas, toen de helle, lichte zon hem in het gelaat lachte.
Verwonderd wreef hij zich de oogen, geeuwde herhaaldelijk en stond eindelijk traag op. Tot zijn vader, den vorst, zeide hij:
—Vannacht is de dief niet gekomen.
Gedurende den volgenden nacht waakte de tweede. Hij ging onder den boom zitten en wachtte wel een uur. Toen meende hij, dat het beter zou zijn, indien hij zich in het groene gras neervlijde.
Hij strekte zijn ledematen uit en sliep in. Toen hij weer ontwaakte, was het reeds lang dag.
Hij rekte zich uit, gaapte herhaaldelijk en deelde den vorst mee:
—Vannacht is de dief niet gekomen.
In den derden nacht waakte Iwan Zarewitsch. Hij ging onder den boom zitten en verroerde zich niet. Een uur snelde voorbij, en nog een, en nog een. Maar hij hield de oogen open en werd niet slaperig.
Opeens, het was tegen middernacht, vloog dwars door den donkeren hemel, vanuit het Oosten, een vlammende ster. Snel als de bliksem schoot zij op den boom neer, waar prins Iwan onder zat.
De geheele tuin werd verlicht, alsof hij door duizend lichtjes werd beschenen. Nu zag de prins in den boom een vogel zitten, die gouden veeren en oogen had. Dicht tegen den stam aangeleund stond Iwan. Zijn wangen gloeiden, nauwelijks waagde hij het te ademen. De vogel sprong van tak tot tak, en plukte de gouden appels.
Zacht kroop Iwan nader en greep den dief bij den vleugel. Maar door den schrik liet deze snel de vruchten vallen, steeg omhoog en vloog door de lucht weg.
Slechts een veer bleef in Iwan’s handen. Maar uit deze veer stroomde een licht, waardoor de geheele tuin in vlam scheen te staan.
’s Morgens ging Iwan naar zijn vader, en bracht hem de veer van den vogel. En toen hij zijn vader de veer overhandigde, verlichtte deze op zulk een wonderlijke wijze de omgeving, dat het scheen alsof er lichten in hem waren aangebracht.
Dat verbaasde den vorst niet weinig. Hij sprak:
—Mijn beste zoon, welk zeldzaam ding heb je daar bij je?
Iwan antwoordde:
—Vader, dat is de veer, die de dief als boete moest achterlaten. Want u moet weten, dat de vuurvogel uit het verre Oosten de dief is, die uw gouden appels steelt.
En hij vertelde ook hoe alles verliep. Toen omarmde hem zijn vader en kuste hem innig op het voorhoofd.
Van dezen tijd af kwam de vuurvogel niet terug, zoodat er geen gouden appels meer werden gestolen. Daardoor kreeg de vorst meer levenslust; hij vergat de ernstige dagen.
Nogmaals liet hij zijn zonen voor zich verschijnen, en sprak tot hen:
—De tijd is nu aangebroken, dat jullie de wijde wereld in moet trekken, om jullie geluk te beproeven. Ik geef je mijn zegen en beveel jullie te vertrekken. Zoekt wat je wilt: roem, eer, avonturen, maar tracht voor alles den vuurvogel te vinden. Wie hem mij levend brengt, dien schenk ik, wat ik heb beloofd, de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook de andere helft voor hem zijn.
Nu koesterden de beide oudste prinsen een diepen haat tegen hun broeder, omdat het hem was gelukt den vuurvogel een veer te ontrukken. Om nu te verhinderen, dat Iwan hen voor zou zijn, vertrokken zij in allerhaast.
Thans trad de jongste voor zijn vader en sprak:
—Vader, geef mij den zegen, opdat ik het voorbeeld mijner broeders volg. Ik zou ook gaarne mijn geluk beproeven... Het zou mij bovendien verheugen, indien ik u den vuurvogel mocht brengen.
Maar de koning sprak:
—Mijn innig geliefde zoon! Jij bent nog jong en de tijd, dien je noodig hebt, is lang. Ik echter snel het einde mijner dagen tegemoet. Ik weet niet wanneer ik sterven zal. Als jij me ook verlaten hebt, terwijl ik afscheid van het leven neem, wie zal dan het volk regeeren en het over mogelijke tweedracht heen helpen?
Maar het gelukte hem niet zijn jongsten zoon van z’n voornemen af te brengen. Daarom schonk hij hem tenslotte zijn zegen, en beval hem te vertrekken.
Zonder te vragen of het dichtbij of ver af was, hij vervolgde recht aan recht toe zijn weg. Tot hij in een breed, groen dal kwam, waar middenin een wegwijzer stond, die drie armen had.
Op den eersten stond vermeld:
«Hij, die dezen weg betreedt, zal verhongeren en bevriezen.»
Op den rechter arm stond te lezen:
«Hij, die dezen weg betreedt, zal blijven leven, maar zijn paard is ten doode opgeschreven.»
Den linker arm verkondigde:
«Hij, die dezen weg betreedt, is ten doode opgeschreven; maar zijn paard zal blijven leven.»
Prins Iwan bedacht zich een poosje. Hij nam den rechter weg, na de overweging, dat weliswaar zijn paard sterven moest, maar dat hijzelf in leven bleef. Later zou hij zich wel een ander paard kunnen aanschaffen.
Na een tocht van drie dagen kwam hij in een groot, ondoordringbaar woud. Maar uit het woud kwam hem een reusachtig groote grijze wolf tegemoet.
Deze sprak tot prins Iwan:
—Prins Iwan, waarom bereedt gij dezen weg? Want nu moet uw paard sterven!
En nog voordat de prins zijn zwaard kon trekken, was zijn paard verscheurd.
Bedroefd trok prins Iwan te voet verder. Hij liep den geheelen dag aan een stuk door. Toen hij zich tenslotte doodelijk vermoeid neerzette, om wat uit te rusten, stond nogmaals de grijze wolf voor hem.
Deze sprak:
—Het spijt me erg voor u, prins Iwan, dat ik uw braaf paard heb verscheurd. Maar het moest! Of hebt gij niet gelezen, wat er achter u stond geschreven? Vergeet nu echter uw leed; want voortaan zal ik u dienen. Vooruit! Ga op mijn rug zitten! Ik zal u brengen, waarheen ge wilt!
Toen vertelde prins Iwan, waarom hij vertrokken was, zoodat hij wel zou moeten reizen tot aan het einde der wereld. Daarna ging hij op den grijzen wolf zitten. In vliegende vaart, vlugger dan een vogel, trokken zij verder. Tot zij tegen middernacht voor een hoogen muur stil hielden.
Toen zei de grijze wolf:
—Wij zijn er. Achter dezen muur is een tuin, en in den tuin staat een kooi, waarin de vuurvogel zit. Neem hem nu, maar wees voorzichtig en raak de gouden kooi niet aan! Als ge deze meeneemt, kunt ge er niet meer vandaan, en zal men u gevangen nemen.
Prins Iwan klom over den steenen muur in den tuin. Deze was zoo helder beschenen, alsof de zon haar stralen er in wierp. Dit licht kwam van den vuurvogel, die in een gouden kooi zat, welke midden in den tuin stond.
Van verbazing bleef Iwan een oogenblik staan. Zoodra hij tot zichzelf kwam, loerde hij naar alle kanten, sloop naderbij en nam dan den vogel uit de kooi.
Maar toen hij overwoog, waar hij den vogel kon bewaren, vergat hij de vermaning van den grijzen wolf, en nam hij ook de gouden kooi mee.
Opeens weerklonk luid belgerinkel door den geheelen tuin, want van de kooi uit liepen zilveren draden naar alle kanten. Nu ontwaakten de bewakers, grepen Iwan met den vuurvogel en brachten den jongen prins voor koning Dalmat.
Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe:
—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij. Waar gelden zulke gebruiken?
Prins Iwan antwoordde:
—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig vorst. Deze vogel is de dief, die iederen nacht de gouden appels uit mijn vaders tuin steelt.
Waarop de koning antwoordde:
—Een prins zijt ge? Maar dan haalt ge geen edele daden uit! Als u mij er om had verzocht, dan had ik u den vuurvogel vrijwillig gegeven. Nu verdient ge, dat ik u door het geheele land stuur en bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt behandeld.
—Luister echter. Als u door driemaal negen landen naar het drie maal tiende koninkrijk trekt, bij koning Alfons, en ge brengt mij nu het paard met de gouden manen, zal ik uw wandaad vergeven en u met eerbewijzen den vuurvogel overhandigen.
