Noli me tangere.
Filippijnsche roman
van
Dr. José Rizal.
Voor het Soerabajasch Handelsblad vertaald door
Dr. A. A. Fokker.
Druk van het Soerabajasch Handelsblad, Soerabaja 1912.
I.
Een avond-partijtje.
In de laatste dagen van October gaf Don Santiago de los Santos, meer bekend onder den naam "Capitán Tiago" een avond-partijtje, dat hoewel tegen zijn gewoonte eerst in den namiddag aangekondigd, reeds het onderwerp van alle gesprekken in Binondo uitmaakte, evenals in andere buitenwijken en zelfs te Intramuros. Capitán Tiago ging toen door voor den gulsten man die er liep, en men wist dat zijn huis, evenals zijn land, zijn deuren niet gesloten hield, tenzij voor den handel of ieder nieuw of gewaagd denkbeeld.
Gelijk een electrische schok liep het nieuws door de wereld der klaploopers, tafelschuimers en doodvreters, die God in zijn oneindige goedheid zoo liefdevol in Manila doet tieren. Sommigen zorgden voor schoensmeer; anderen keken om naar knoopen en dassen, maar allen waren vervuld van de gedachte hoe ze wel den heer des huizes op de gemeenzaamste wijze begroeten zouden, om te doen gelooven aan oude vriendschapsbanden, of zich te verontschuldigen, voor 't geval dit beter te pas kwam, dat ze niet vroeger hadden kunnen verschijnen.
Deze feestmaaltijd werd gegeven in een huis van de Calle de Anloague, en daar we ons het nummer niet herinneren, zullen we 't zoo beschrijven, dat men het nog zou kunnen herkennen, indien ten minste de aardbevingen het nog niet vernield hebben. We gelooven niet, dat zijn eigenaar het zal laten slopen, want met dit werk belast zich daar God of "de Natuur" gewoonlijk; want deze laatste heeft daar ook van ons gouvernement veel werken aangenomen.
Het is een vrij groot gebouw, in den stijl van de meeste daar te lande, gelegen met het front naar een arm der Pasig-rivier, door sommigen "ria de Binondo" genoemd, welk water, evenals alle rivieren van Manila, de veelzijdige rol vervult van badplaats, riool, wasch- en vischgelegenheid, vervoer- en verkeersmiddel, ja, zelfs van waterleiding voor de dorstigen, ingeval de Chineesche waterdrager zulks oorbaar acht. Het is vermeldenswaard dat deze machtige slagader der voorstad, waar het verkeer het drukst is en de beweging het levendigst, over een afstand van bijna een kilometer nauwelijks één houten brug telt, welke gedurende zes maanden aan één kant stuk en aan den andere voor 't overige deel des jaars onbegaanbaar is.
Zoo komt het, dat in het heete jaargetijde de paarden van deze gestadige "status quo" profiteeren, om daar in 't water te springen, tot groote verrassing des afgetrokken stervelings, die binnen in 't rijtuig ligt te dommelen of te filosofeeren over de vooruitgang dezer eeuw.
Het huis, dat wij bedoelen, is wat laag en heeft niet zeer onberispelijke lijnen: of de bouwmeester niet best zien kon, of dat het een gevolg was van de aardbevingen en orkanen, kon niemand met zekerheid zeggen. Een breede trap met groene leuningen en hier en daar belegd met een kleedje, leidt van de "zagnan" of voorhal, bevloerd met tegeltjes, naar de hoofd-verdieping tussen bloempotten en -vazen op voetstukken van Chineesch aardewerk met bonte kleuren en fantastische teekeningen.
Aangezien er geen portiers noch lakeien zijn, die u om of naar een uitnoodigings-kaart vragen, zullen we maar naar boven gaan, o gij die me leest vriend of vijand! Zoo u althans de tonen van het orkest, het licht of 't veel beteekenend gerinkel van vaatwerk aantrekt, en gij zien wilt, hoe de avondpartijen daar ginds in de Parel van het Oosten toegaan. Met genoegen en voor mijn gemak zou ik u gaarne de beschrijving van het huis besparen, doch deze is zeer belangrijk; want wij stervelingen in 't algemeen zijn als de schildpadden: we worden geprijsd en gesorteerd naar onze schilden; om deze en andere eigenschappen zijn ook de stervelingen van de Filippijnen gelijk aan de schildpadden.
Wanneer we naar boven gaan, komen we dadelijk in een ruim vertrek, dat men daar "caïda" noemt, ik weet niet waarom, want op dezen avond dient het als eetzaal en tevens als muzieksalon. In 't midden schijnt een lange tafel, overvloedig en weelderig versierd, den tafelschuimer toe te lonken met zoete beloften, en dat schuchtere jonge meisje, de eenvoudige "dalaga" te bedreigen met twee doodvervelende uren in gezelschap van vreemde mannen, wier taal en gesprek een zeer bizonder karakter plegen te hebben. In tegenspraak met deze aardsche toebereidselen zijn de bonte schilderijen aan de wanden, voorstellende godsdienstige onderwerpen als "het Vagevuur" of "de Hel", "het Laatste Oordeel," "de Dood der Rechtvaardigen", die "des Zondaars", en op den achtergrond, gevangen in een prachtige en smaakvolle renaissance-lijst, die wel door een Arévolo kon gesneden zijn, een merkwaardig doek van groote afmetingen waarop men twee oude vrouwen ziet... Het onderschrift luidt: "Onze Lieve vrouw van Vrede en goede reis, die men in Antipolo vereert, in de gedaante van een bedelares, bezocht de vrome en beroemde Capitana Inés gedurende haar ziekte" [1]. De voorstelling, zoo ze al niet veel smaak en kunst verraadt, bezit daarentegen een overmaat van natuurlijkheid: de zieke lijkt wel een lijk in ontbinding door de gele en blauwe tinten van haar gelaat; de glazen en overige voorwerpen ter geleide der langdurige ziekten, zijn zoo nauwkeurig weergegeven, dat men zelfs zien kan wat erin zit. Bij 't aanschouwen van deze schilderijen, die de eetlust opwekken en landelijke denkbeelden doen rijzen, denkt wellicht deze of gene, dat de leepe heer des huizes heel goed den aard kende van het meerendeel van hen, die aan zijn tafel moesten aanzitten, en om zijn gedachte een weinig te omsluieren heeft hij aan de zoldering kostbare Chineesche lampen laten hangen, kooien zonder vogels, roode, groene en blauwe bollen van gefoelied glas, gedroogde hangplanten, opgeblazen opgezette visschen, die men "botete's" noemt, en meer zoo, terwijl alles aan de rivierzijde afgesloten was door grillige houten bogen, half Chineesch half Europeesch waar doorheen men het uitzicht had op een plat dak met klimplantleidingen en prieeltjes, schaars verlicht door papieren lantarentjes van allerlei kleuren.
Daar in de zaal bevinden zich de gasten tusschen ontzaggelijke spiegels en schitterende kroonlampen: daar staat op een houten onderstel de prachtige vleugelpiano, die een ongehoorde som gekost heeft, en die op bedoelden avond nog kostbaarder was, omdat niemand haar bespeelde. Daar vindt men Ook een groot olieverfportret van een mooie man, in rok, stijf, rechtop, symmetrisch als de stok met kwast, die hij tusschen zijn strakke met ringen bedekte vingers draagt. Het portret schijnt zoo te zeggen:
"H'm, h'm! kijk ereis aan wat ik aan mijn lijf heb, en hoe deftig ik ben!"
De meubels zijn smaakvol, wellicht ongeriefelijk en ongezond: de heer des huizes denkt niet aan de gezondheid van zijn gasten, maar aan zijn eigen weelde. De dysenterie is wel iets vreeselijks, maar u zit op Europeesche leuningstoelen, en die heeft u niet altijd! zou hij hun zeggen.
De zaal is bijna vol met menschen: de mannen gescheiden van de vrouwen, evenals in de katholieke kerken en in de synagogen. De dames bestaan uit een klein aantal jonge meisjes, half Spaansche, half Filippijnsche: ze doen den mond open om te geeuwen, maar weten dat met hun waaiers te bedekken; ze murmelen te nauwernood eenige woorden; ieder gesprek, dat men waagt te doen, sterft weg in enkele lettergrepen, als geruchten die men 's nachts in een huis hoort, gedruisch van ratten of hagedissen. Zijn het wellicht de beeltenissen der verschillende vrouwen, die aan de wand hangen, welke ze nopen het stilzwijgen te bewaren en godvruchtige ernst te betrachten? Of maken de vrouwen hierop juist een uitzondering?
De eenige, die de dames ontving, was de oude nicht van Capitán Tiago, een vrouw met goedige gelaatstrekken en die vrij slecht Spaansch sprak. Al haar beleefdheid en hoffelijkheid bestond daarin, dat ze aan de Spanjaarden een blaadje met sigaretten en "boejo" (sirih) aanbood, en zich precies als de monniken door de Filippijners de hand liet kussen. De arme oude begon zich ten slotte te vervelen, en gebruik makende van het gedruisch van een bord dat brak, ging ze ijlings heen, onder het mompelen van:
"Jezus! wacht maar, rakkers!"
En ze verscheen niet meer.
Wat de mannen aangaat, die maakten wel meer leven.
Eenige adelborsten waren in een der hoeken druk aan 't praten, maar op gedempten toon, terwijl ze van tijd tot tijd opkeken en soms met den vinger wezen naar verschillende personen in de zaal; en ze lachten onder elkaar op meer of min bedekte wijze. Twee vreemdelingen daarentegen, beiden in 't wit, liepen met de armen op den rug en zonder een woord te spreken, met groote stappen van 't eene uiteinde der zaal naar 't andere, zooals passagiers die zich vervelen, op het dek van een schip doen. Al de belangstelling en de grootste drukte gingen uit van een groepje, gevormd door twee monniken, twee burgers en een militair rondom een tafeltje, waarop men flesschen wijn en Engelsche biscuits zag staan.
