De militair was een oude luitenant, lang en met een streng voorkomen: hij leek wel een hertog van Alva, die wat achtergebleven was op de ranglijst der Guardia Civil. Hij sprak weinig, maar bars en kort. Een der "frailes", een jonge dominikaan, mooi, netjes en keurig als zijn bril met goud-montuur, had een vroegtijdige ernst over zich: het was de pastoor van Binondo, en in vroeger jaren was hij professor geweest aan San Juan de Setrán. Hij had de roep van een volleerd spreker, en wel zoo zeer, dat in de tijden, waarin de zonen van Guzmàn [2] het waagden in spitsvondigheden den strijd aan te binden met de wereldlijken, de bekwame woordvechter B. de Luna hem nooit van zijn stuk had kunnen brengen of vastzetten: de fijne bewijsvoering van Fray Sibyla liet hem een figuur slaan als de visscher, die alen met strikken wilde vangen. De dominikaan sprak weinig, en scheen zijn woorden te wegen.
De ander daarentegen, die Franciskaner was, sprak druk en gesticuleerde nog meer. Ten spijt van zijn haren, die reeds grijs begonnen te worden, scheen zijn stevig gestel zich goed te houden. Zijn regelmatige trekken, zijn weinig geruststellende blik, zijn breede kaken en herkulische vormen gaven hem het aanzien van een vermomd Romeinsch patriciër en onwillekeurig herinnerde hij u aan een van de drie monniken, waarover Heine spreekt in zijn "Goden in ballingschap", die op de September-nachtevening, ginds in Tyrol, te middernacht in een bootje een meer over voeren, en telkens in de handen van den armen veerman een zilveren munt achterlieten, koud als ijs, hetwelk hem met ontzetting vervulde. Evenwel was Fray Dámaso niet geheimzinnig zooals zij: hij was vroolijk, en hoewel zijn stem bruusk klonk, als van een man, die nog nooit verlegen gestaan heeft, die al wat hij zegt voor heilig en onverbeterlijk houdt, zijn opgewekte en vrijmoedige lach wischte dezen onaangenamen indruk dadelijk uit, en zelfs zag men zich gedwongen hem te vergeven, dat hij daar in de zaal een paar voeten zonder sokken en behaarde beenen vertoonde, die stellig een fortuintje zouden opgebracht hebben aan een Mendieta op de kermissen van Quiapo. [3]
Een der burgers, een klein manneke, met een zwarte baard, had als eenige merkwaardigheid zijn neus, die naar zijn afmetingen te oordeelen, niet van hem kon wezen; de ander, een blond jongmensch scheen kortelings in 't land aangekomen te zijn; met deze voerde de Franciskaan een levendige woordenwisseling.
"U zult 't zelf wel zien", zeide de monnik, "wanneer u maar eens een paar maanden langer in 't land bent, zult u 't wel met mij eens zijn, dat het heel wat anders is in Madrid te regeeren, of hier in de Filippijnen te wezen."
"Maar..."
"Ik bijvoorbeeld," ging Fray Dámaso voort, de stem verheffende, om den ander niet aan 't woord te laten, "ik die al drie-en-twintig jaren pisang en rijst eet, ik kan er met gezag over meepraten. Kom me niet voor den dag met theorieën en beweringen. Ik ken de inlanders. Ga nu 's na. Nauwelijks was ik hier in 't land, of ik werd geplaatst op een dorp, wel klein, maar zeer werkzaam voor zijn landbouw. Ik kende toen nog niet goed Tagaalsch, maar ik nam de vrouwen al de biecht af, en we verstonden elkaar, en ze hielden ten slotte zooveel van me, dat, drie jaar later, toen ik naar een grooter dorp werd overgeplaatst, dat vacant was gekomen door den dood van den inlandschen pastoor, al die vrouwen begonnen te schreien, me met geschenkjes overlaadden, en met muziek uitgeleide deden..."
"Maar dat bewijst toch alleen..."
"Wacht u toch even! Niet zoo haastig oordeelen! Hij die me opvolgde, bleef korter, en toen die heenging kreeg hij nog meer uitgeleide, meer tranen en meer muziek, en dat terwijl hij meer ranselde, en de parochie-gelden opgeslagen had tot het dubbele van vroeger."
"Maar u zult mij veroorloven..."
"Ik zal u meer zeggen: in 't dorp San Diego ben ik twintig jaren geweest en ik ben er eerst enkele maanden... uit" (hier scheen hij te ontstemmen). "Twintig jaren--dat zal niemand me tegenspreken--zijn meer dan genoeg om de menschen op een dorp te leeren kennen. San Diego had zes duizend zielen, en ik kende iederen bewoner, alsof ik hem gebaard en gezoogd had: ik wist aan welken voet deze mank ging, waar een ander de schoen wrong, wie 't hof maakte aan dit of dat meisje, welke mistappen dit gedaan had en met wie, wie de ware vader van 't kind was enz.; ik nam immers ieder levende ziel de biecht af, en ze wachtten zich wel, om hun plicht te verzuimen. Laat Santiago, onze gastheer 't maar zeggen, of ik lieg. Hij heeft daar veel land en daar hebben wij vriendschap gesloten. Nu goed, hoor nu 's, hoe die inlanders zijn: toen ik heenging deden me te nauwernood een paar oude vrouwtjes en eenige geestelijke broeders uitgeleide. En dat terwijl ik er twintig jaren geweest was!"
"Maar ik zie niet in wat dit te maken zou hebben met de vrijmaking van 't tabaks-monopolie," antwoordde de blonde jongeman, gebruik makende van een pauze, gedurende welke de Franciskaan zich een glaasje sherry inschonk.
Fray Dámaso liet vol verbazing bijna zijn glas vallen. Hij bleef een oogenblik het jong mensch van 't hoofd tot de voeten opnemen.
"Hoe zoo? Hoe is dat nu?" riep hij daarna met de grootste verwondering, "is 't mogelijk, dat u dat niet inziet: 't is zoo klaar als de dag? Ziet u dan niet, m'n waarde heer, dat dit alles tastbaar bewijst, dat de nieuwigheden van de ministers onzinnig zijn?"
Ditmaal was 't de blonde die verlegen stond. De luitenant fronste de wenkbrauwen nog meer. Het kleine ventje schudde het hoofd, alsof hij Fray Dámaso in 't gelijk stelde of 't niet met hem eens was. De dominikaan vergenoegde zich met iedereen bijna den rug toe te keeren.
"Meent u?" kon ten slotte de jongeman heel ernstig vragen, terwijl hij den pater vol nieuwsgierigheid aankeek.
"Of ik dat meen? Ik geloof eraan als aan 't Evangelie! De inlander is zoo lui!"
"Och, neem me niet kwalijk, dat ik u in de rede val," zeide het jongmensch, zachter sprekende en zijn stoel naderbij brengend, "u heeft daar een woord uitgesproken, dat mijn belangstelling bijzonder gaande maakt. Bestaat werkelijk die luiheid bij de inlanders, als iets ingeborens, of is 't eigenlijk zoo, dat--zooals een buitenlandsch reiziger opmerkte--wij met die luiheid onze eigen luiheid verontschuldigen, onze achterlijkheid en ons koloniaal beleid? Hij sprak van andere koloniën, waar de bewoners van 't zelfde ras zijn...."
"Och kom! Jaloezie! Vraag 't maar 's aan meneer Laruja, die 't land ook kent. Vraag hem maar 's of de domheid en luiheid van de inlanders ergens haar wedergade vinden!"
"Werkelijk," antwoordde het kleine kereltje, dat bedoeld was: "nergens ter wereld ziet u luier individuen dan de inlanders hier. Nergens ter wereld!"
"Geen verdorvener en geen ondankbaarder wezens!"
"Geen onbeschofter ook!"
De blonde jonge man begon met ongerustheid overal heen te kijken.
"Heeren," zeide hij zacht, "ik geloof dat wij aan huis zijn bij een inlander. De jonge dames..."
"Loop heen! Maak u zich niets ongerust, hoor! Santiago houdt zichzelf niet voor een inlander, en bovendien is hij er niet bij. En dan... al was hij erbij? Die beweringen zijn maar dwaasheden van nieuwelingen. Laten er maar een paar maanden voorbijgaan: u zult wel van meening veranderen wanneer u veel inlandsche feesten en danspartijen bijgewoond heeft, op de inlandsche bedden geslapen en veel 'tinola' gegeten heeft."
"Is dat wat u 'tinola' noemt niet een vrucht, een lotus-soort, die de menschen... zoo iets van... zoo vergeetachtig maakt?"
"Och wat lotus of loterij!" antwoordde Fray Dámaso lachend, "u slaat de plank mis. Tinola is een goelái van kip en kalebas. Hoe lang bent u hier?"
"Vier dagen," bracht de jonge man eenigszins geraakt uit.
"Komt u als ambtenaar?"
"Nee, meneer: ik kom voor eigen rekening, om het land te leeren kennen."
"M'n lieve man, wat bent u een witte raaf!" riep Fray Dámaso uit, terwijl hij hem nieuwsgierig opnam. "Voor eigen rekening gekomen en dan voor zulke dwaasheden!
"Wat 'n fenomeen! Terwijl er zooveel boeken zijn ... och, als je maar wat hersens in je kop hebt ... kun je immers een heel dik boek schrijven: er zijn er zoo ettelijken! Als je maar wat hersens in je kop hebt ..."
"U zei zoo, eerwaarde heer pater Dámaso," viel plotseling de dominikaan in, "dat u twintig jaren in het dorp San Diego geweest is, en het toen verlaten heeft ... Was u niet ingenomen met de plaats?"
Fray Dámaso verloor op deze vraag, die op zoo natuurlijken en bijna onverschilligen toon gedaan was, opeens zijn vroolijkheid en hield op met lachen.
"Nee!" gromde hij droogjes en liet zich met geweld tegen den rug van zijn stoel vallen.
De dominikaan ging nog onverschilliger voort:
"'t Moet droevig wezen een plaatsje te verlaten waar men twintig jaren geweest is en dat men kent als de jas die men aan heeft.
"Ik ten minste vond het onplezierig Camiling te verlaten en daar was ik nog maar enkele maanden geweest... maar de superieuren deden het voor 't heil van de gemeente... voor mijn eigen heil."
Fray Dámaso scheen dien avond voor de eerste maal zeer afgetrokken. Op eens gaf hij een vuistslag op de leuning van zijn stoel, en zwaar ademend riep hij uit: