DE SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD
Door
D. Ph. Van Vloten Elderinck.
Met 94 afbeeldingen in den tekst en 39 losse platen.
LIEFDE EN ZINNELIJKHEID.
Gebr. Graauw,
Amsterdam--Haarlem--Weltevreden N. O. I.
VOORWOORD.
"De Sexueele Zeden in Woord en Beeld".... wij gevoelen het levendig, deze titel kan aanleiding geven tot misverstand aangaande den inhoud, althans omtrent den geest waarin het aangekondigde onderwerp is behandeld.
Wat toch onze Nederlandsche literatuur bezit aan werken op het gebied van het sexueele leven, is voor een groot gedeelte openlijke of verkapte pornografie, en voor de rest dorre archiefstudie of resultaat van natuur-wetenschappelijk onderzoek.
Dit werk evenwel is noch het een, noch het ander.
Het werk is gehouden op de hoogte van zijn grootsch en schoon onderwerp--wat met de waardigheid van dat onderwerp in strijd is te achten en wat gezonde fatsoensbegrippen aanstoot zou kunnen geven is op dezen onderzoekingstocht in het wonderland der sexueele zeden als minderwaardig en onbelangrijk voorbijgegaan. Een vluchtig doorbladeren van dit deel zal ook degenen, die ten deze de hoogste eischen stellen, met één oogopslag moeten overtuigen dat het qui s'excuse s'accuse hier niet van toepassing is.
Aan den anderen kant is de inhoud gedeeltelijk wel geput uit bronnen als archieven en dergelijke; en ook de resultaten der physiologische wetenschappen, voor zoover bruikbaar voor het gestelde doel, zijn er in verwerkt; maar steeds is naar literair-smakelijke vormen gezocht om er de gevonden schatten in op te dragen.
Het gebied, dat in dit werk wordt betreden, is onuitputtelijk rijk en veelzijdig--in het sexueele leven leeft de mensch zich uit in zijn vurigste instincten, die den een--individuën zoowel als gemeenschappen--opheffen naar de hoogste bergtoppen van zedelijke volmaking, den ander daarentegen heenvoeren naar de diepste afgronden van menschelijke ontaarding. In die bonte veelheid van feiten en verschijnselen is steeds gezocht naar het typische en het interessante, maar vooral ook naar het wezenlijke. Zoo moest dit werk, dat een zoo belangwekkend stuk beschavingsgeschiedenis der menschheid behandelt, in velerlei opzicht worden tot een eersteling in onze nationale literatuur.
Dit wat het Woord betreft. Een enkele opmerking nog over het Beeld. Daaraan is--een vluchtig doorbladeren van dit eerste deel kan het alweer getuigen--evenveel zorg besteed, als aan den literairen inhoud. Zoo gaat het feitenmateriaal, in dit werk opgehoopt, als van regel tot regel aanvullend en toelichtend vergezeld van het schoone van wat de Kunst--die ideëele spiegel der werkelijkheid--op het gebied van ons onderwerp heeft voortgebracht.
Dit is in hoofdtrekken het program, waarnaar dit werk met veelzijdige hulp--waarvoor hier nogmaals zij dank gezegd--is opgebouwd. Moge het een trouwe en eerlijke weerspiegeling worden bevonden van de grootsche werkelijkheid, die het zoekt weer te geven.
Amsterdam. De Schrijver.
INHOUD.
Hoofdstuk I Liefde Hoofdstuk II Zinnelijkheid Hoofdstuk III Mannelijke en Vrouwelijke Zinnelijkheid Hoofdstuk IV Schoonheids-Idealen Hoofdstuk V Schaamte Hoofdstuk VI De Toenadering der Sexen Hoofdstuk VII De Rol der Zintuigen in het Liefdeleven Hoofdstuk VIII De Kleeding als Bondgenoote der Zinnelijkheid Hoofdstuk IX Kuischheid
I.
LIEFDE.
Erregt an des Lenzes Erwarmung, Indes du die Welten umfliegst, Ruht Alles in deiner Umarmung: O heilige Liebe, du siegst!
Graaf Platen.
Het eerste en het laatste woord in het leven der sexen is Liefde. Wat is Liefde?--Dichterzielen en romantische naturen kennen een bovenzinnelijke drift, een etherischen hartstocht, die de sexen tot elkander voert, maar die niets sexueels heeft, die integendeel rein is en onstoffelijk, en de ziel in een stemming brengt, dat zij elke gedachte aan iets sexueels als ontwijdende heiligschennis met afschuw van zich stoot.
Dezen hartstocht der onbevlekte reinheid noemen zij Liefde. En ten allen tijde hebben dichters en romantische geesten, tot op Tolstoi en Ellen Key in onze dagen, dezen hartstocht bezongen en in de stoutste beeldspraak hem extase-dronken verheerlijkt. Vele der schoonste en verhevenste gedachten die uit menschenbrein zijn ontsprongen, gelden dit zoo vurig vereerde heilige der heiligen van het gevoelsleven.
Wat liefde in dezen zin is onttrekt zich aan elke definitie. De Liefde is het mysterie der aardsche twee-eenheid; zij is een raadsel, samengesteld uit waarheden.
Het behoeft nauwelijks gezegd, dat deze liefde niet alleen vereerders heeft. Zoo zijn er ten allen tijde zulken geweest, die haar bestaan eenvoudig ontkenden en haar ontnuchterend terugbrachten tot een der middelen waardoor de natuur den geslachtelijk rijpenden mensch voorbereidt tot de functie der voortplanting. Tusschen beide uitersten bestaan honderden uiteenloopende meeningen omtrent deze sfinx onder de menschelijke neigingen.
Eenig begrip van het wezen der liefde zooals dichters zich haar droomen kan men zich bij benadering vormen uit de voorstellingen die zij er van geven. Al die voorstellingen dragen uitermate het kenmerk van het poëtisch verhevene en van het nevelig onbestemde. Definities, die nuchteren geesten zouden kunnen bevredigen, geven zij van de liefde niet. Zij spreken van haar slechts in beeldspraak. En de stoutste vergelijkingen blijven naar hun gevoelen altijd nog ver beneden de werkelijke heerlijkheid van dezen wonderen hartstocht.
Liefde, in dezen verheven zin, is een nimmer-eindigend hooglied, waarvan elk woord klinkt als het ontroerend snikken eener fel-bewogen ziel.
Beminnen met deze liefde der dichters is het eenige, zegt Victor Hugo, wat de eeuwigheid kan vullen. Het oneindige behoeft het onuitputtelijke en dat onuitputtelijke is de liefde. Liefde, die zoo lief heeft, zet het heelal in vuurgloed--men voelt haar branden in het merg van het gebeente en men ziet haar gloeien in de diepten der hemelen.
Liefde is het eenig noodige. Het overige is maar het overige.
Verheven liefde is lichtend als het morgenrood en stil als het graf. Voor twee wezens, die elkander beminnen met de ware liefde, is samen te zwijgen grooter geluk nog dan samen te spreken, en bij dat spreken klinkt ieder woord als door de sterren gezongen.
Liefde, zegt La Bruyère, ontstaat plotseling, zonder medewerking van den overleggenden wil, uit temperament of uit zwakheid.
De Liefde, klaagt George Sand, is een vrijwillige slavernij, waarnaar vooral de vrouwelijke aard met kwijnend verlangen snakt en haakt.
"Maar een damp was opgegaan uit de aarde," citeert Rosegger (in: Mann und Weib), "en bevochtigde den ganschen aardbodem. En Jehovah formeerde den mensch uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten blies hij den adem des levens. En Jehovah sprak: Het is niet goed, dat de mensch alleen zij; ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij. Toen deed Jehovah een diepen slaap op den mensch vallen; en hij nam ééne van zijne ribben, en sloot derzelver plaats toe met vleesch. En deze ribbe bouwde Jehovah tot eene vrouw, en hij bracht haar tot den mensch. Toen zeide de mensch: Deze is ditmaal been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch. Men zal haar manninne heeten." Dit is de eerste liefdesgeschiedenis. Sindsdien hebben alle menschen liefdesgeschiedenissen geleefd, alle dichters liefdesgeschiedenissen geschreven, en alle gevoelige harten met graagte liefdesgeschiedenissen vernomen. En gedurende de duizenden jaren, dat de menschheid bestaat, is de liefde gelijk gebleven, evenals de roos aan de doornstruik in de wildernis nog altijd dezelfde is. Hoe zeloten zich ook hebben beijverd de liefde in grove boetekleederen te verstikken, ze te verbannen naar de hel; hoe ook de samenleving gepoogd heeft het allerhoogste en allerschoonste te fatsoeneeren en in vormen te wringen--de liefde is zichzelven gelijk gebleven, als de gloed van het vuur, dat men wel kan blusschen maar niet verkoelen. Waar de liefde heerscht, daar vallen alle hindernissen weg, daar scheuren alle hulsels der beschaving, en het laatste is wat het eerste was: Adam en Eva.
De liefde is sterker dan de dood, zoo jubelt het Hooglied van Salomo in zijn "praallooze pracht van Oostersche dichting, beschenen door de bleeke verte des verledens". Hare kolen zijn vurige kolen, vlammen van Jehovah. Vele wateren zouden de liefde niet kunnen blusschen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten. Kom haastelijk, mijn liefste! en wees gij gelijk eene ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.
Naast dit voorbeeld der vurige liefdeslyriek van het oude Oosten stellen wij er een uit het oude Noorden, dat in gansch anderen toon op nog grootscher wijze de liefde verheerlijkt. Wij ontleenen het aan de inaugurale rede van Prof. Frantzen te Utrecht: Over den ontwikkelingsgang der erotische lyriek bij de Germaansche volken (1908). Een der Edda-liederen bezingt de liefdesgeschiedenis van Helgi en de valkyrja Sigrún, dochter van Hogni. Als Sigrún verneemt, dat haar vader haar tegen haar zin heeft verloofd met een anderen vorst, gaat zij met haar gezellinnen naar Helgi, dien zij ontmoet te midden van een veldslag. Bij het vernemen van wat haar tot hem voert trouwt hij haar, zeilt met zijn vloot naar het land van zijn mededinger en overwint deze; alleen Sigrún's broeder Dagr ontkomt den dood en zweert Helgi trouw. De twee gelieven zijn nu vereenigd, maar Dagr neemt kort daarop wraak en doodt Helgi, waarop Sigrún haar broeder vervloekt en haar dooden geliefde prijst. Zij laat voor hem een grafheuvel aanleggen en op dien heuvel verschijnt op een avond te paard Helgi met een aantal gezellen. Hij wordt het eerst gezien door een van Sigrún's dienstmaagden, die den verrezene ziende zegt: Is het bedrog wat ik meen te aanschouwen, of het einde der wereld? dat de dooden rijden, dat gij uw rossen met de sporen prikkelt; of is den helden terugkeer geschonken?--Helgi antwoordt: Het is geen bedrog, wat gij meent te aanschouwen, noch het einde der dagen, ofschoon gij ons ziet en schoon we onze rossen met de sporen prikkelen, en ook is ons helden geen terugkeer geschonken.--Daarop gaat de dienstmaagd naar huis en boodschapt wat zij gezien heeft haar meesteres aldus: Ga uit, Sigrún van Sevafjoll, als gij den legervorst nu wilt vinden; ontsloten is de heuvel, Helgi is gekomen; zijn wonden bloeden; en hij de koning bad u dat ge de bloeddroppels mocht komen stelpen.--Sigrún gaat onmiddellijk en begroet Helgi vol vreugde: Eerst wil ik u kussen, mijn gedooden koning, eer gij uw bloedig harnas afwerpt; uw haar, Helgi, is met rijp bedekt, uw lichaam besproeid met den dauw van de lijken; ijskoud zijn de handen van Hogni's schoonzoon, hoe zal ik, o koning, u kunnen helpen?--Helgi antwoordt: Uw schuld is 't, Sigrún van Sevafjoll, dat Helgi's lichaam met lijkendauw besproeid is: bittere tranen toch schreit gij iederen avond, en elke traan valt bloedig dezen held op de borst, ijskoud, klam en vol smarten. Laat ons nu drinken kostlijke wijnen, al moeten wij missen leven en landen; voor mij mag niemand klaagliederen zingen, al ziet men mijn borst vol bloedende wonden, want nu zijn de vrouwen in het graf opgenomen; der mannen geliefden zijn bij ons, de dooden.--Sigrún spreidt terstond in den heuvel een leger en zegt dan: Ik heb u, Helgi, een leger bereid, rustig en vreedzaam, zoon der Ylfingen! Ik wil hier in uw armen slapen, o koning, zooals ik in het leven bij u placht te rusten.--In den morgen rijdt Helgi, vóór het kraaien der hanen met de zijnen weer heen en komt niet weer terug, waarop Sigrún van heimwee spoedig sterft. Deze spookachtige winternachtsdroom: de ontmoeting in een grafheuvel van den dooden held, klam van bloed, met ijskoude handen en wit bevroren haren, en de trouwe geliefde, die hem aan haar hart koestert en verwarmt; die mengeling van de hoogste zaligheid der liefde met de kille huivering van den dood, ontroerend door zijn schier huiveringwekkende schoonheid en aangrijpend door zijn realistische kracht, schittert te midden der oude Eddaliederen als een heerlijk gedenkstuk van de verheven majesteit der oud-Noorsche liefdes-idealen.
