Strenge eischen van bovenzinnelijke reinheid werden door sommige middeleeuwsche minnehoven (waarover later nader) aan de liefde gesteld. Zoo vaardigde het minnehof van koningin Eleonora de volgende decreten uit: De liefde kan der liefde niets weigeren. Een minnaar, die verandert, verandert niet--hij heeft slechts geveinsd te beminnen. Alleen de deugd maakt der liefde waardig. Niemand kan tweemaal beminnen. Beminnen kan niet, wie beheerscht wordt door wellust.
Geheel het romantische ridderwezen werd trouwens beheerscht, in theorie tenminste, door zulke hooge opvattingen aangaande de liefde. De minnehoven, die een ware revolutie teweegbrachten in de begrippen van dien tijd betreffende het huwelijk, vaardigden een wetboek uit van ware liefde. Daarin werd verklaard, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. "De vrome sluiers," zegt Mevr. v.d. Wissel-Herderscheê in haar vertaling van Hudry-Menos' Leven en streven der vrouw, "die het Christendom met afgewend gelaat over de sexueele gemeenschap geworpen had, werden verscheurd en de behoefte aan een inniger, dieper vereeniging dan die van het huwelijk brak zich baan. Het samengaan van de verbintenis der zielen met die der lichamen werd voor onmogelijk gehouden; men liet ze naast elkander bestaan, met verschillende personen als object: eenerzijds den vriend of de vriendin, anderzijds den echtgenoot of de vrouw. Zoo had een vrouw een reëelen man en een ideëelen echtgenoot."
De literaturen aller volken wemelen van gloeiende lofzangen der liefde, in alle talen hebben de literaire genieën en alle verheven geesten zich uitgeput haar te bezingen. "De liefde," verklaart Madame de Staël, "verleent ieder uur zooveel zoetheid, vult elke minuut met zooveel heerlijkheid, dat zij, ook met de onzekerste toekomst voor oogen, in den roes van het oogenblik alles doet vergeten. In haar is een dag gelijk aan een eeuw van geluk of van lijden, zoo vol is die enkele dag van gedachten en gevoelens. O waarlijk, slechts door de liefde leeren wij de eeuwigheid verstaan! Zij heft alle tijdsbepalingen op, evenals elk begrip van begin of van einde; men gelooft het voorwerp der liefde reeds zoolang men leeft te hebben bemind, want hoe zou men zonder hetzelve hebben kunnen leven? En hoe schrikkelijker de scheiding zou zijn, des te onwaarschijnlijker komt zij ons voor."
Twee wezens, die elkander beminnen, oordeelt Marie Bashkirtseff (in: Journal II) hebben de illusie van een volmaakt en heerlijk al; daarin, geloof ik, ligt de groote aantrekkingskracht van de liefde. Bij bloedverwanten, bij vrienden, in de maatschappij, overal ontmoet men onzuivere bedoelingen: hier is het de begeerte, daar afgunst, gemeenheid, onrecht, valschheid; zelfs de beste vriend heeft zijn verborgen berekeningen en, zooals Maupassant zegt, de mensch is altijd alleen, daar het hem onmogelijk is in de geheime gedachten ook van den besten vriend door te dringen. Maar de liefde volbrengt het wonder der zielengemeenschap. Men geeft zich over aan illusies, wat beteekent dat? Wat men gelooft dat wezenlijk bestaat, dat bestaat ook wezenlijk. De liefde schept een schijnbare wereld, die is, zooals de werkelijke wereld moest zijn.
"Jij alleen kunt mij ellendig maken, jij alleen mijn hart verheugen en mij troosten", zoo luidt een der bekentenissen der liefde (Heloïse in een harer brieven aan Abelardus). "En jij alleen hebt den plicht dat dan ook te doen; want ik heb mij steeds zoo blindelings overgegeven aan je wil, dat ik op een wenk van jou mijzelven zou hebben vernietigd, want je verdriet te doen, waarmee dan ook, zou mij onmogelijk zijn."
De liefde, de opperste gebiedster in het hart van de vrouw, doet nooit afstand van haar heerschappij, zegt Legouvé (La femme au XIXme siècle). Zij kan met de jaren veranderen, maar nooit dooft zij geheel uit. Van haar dertigste tot haar veertigste jaar maakt de liefde der vrouw een nieuwe trap van ontwikkeling door, zij heeft dan ondervinding, maar gelooft niettemin nog aan liefde; zij handelt echter niet meer zoo zonder overleg, berekent meer, wat alleen zeggen wil, dat zij zich niet meer zoo licht vergist; zij is omzichtiger geworden, haar liefde, minder onstuimig, is teederder.
Men verwijt de vrouwen vaak, dat zij het naderen van den ouderdom vreezen; deze vrees ontspringt uit de wetenschap, dat zij dan alle hoop moeten laten varen nog bemind te worden; vandaar haar ontsteltenis bij het verschijnen der eerste grijze haren en der eerste rimpels. Alle vrouwen zijn ontvankelijk voor deze vrees, ofschoon velen er zich geen rekenschap van geven.
Zelfs in haar ouderdom kan de vrouw zich niet aan den invloed der liefde onttrekken. Zij wordt hetzij een oude coquette, die glimlachend voor haar spiegel staat en haar rimpels angstvallig verbergt, om zich voor te bereiden op een proef van de macht harer verschrompelde bekoorlijkheid; hetzij een vriendelijke huismoeder, die met nieuwe toewijding alle teederheid haars harten op haar gezin overbrengt; hetzij een statige matrone, die het goede doet dat haar hand vindt om te doen, kalm glimlachend over de illusies der jeugd. Neen, de liefde sterft nooit in het hart van de vrouwen; de ouderdom is voor haar droevig of gelukkig, al naar de herinneringen, die in haar ziel leven, treurig of liefelijk zijn.
Door gebrek aan liefde te sterven--zingt in zijn heroïeke taal Victor Hugo--is schrikkelijk. Het is de verstikkingsdood van de ziel. Men aanschouwt een ster om twee redenen: omdat zij licht geeft en omdat zij ondoorgrondelijk is; de liefde is een lieflijker licht en een grooter verborgenheid. Uren van liefde zijn uren die zich hebben losgemaakt van het leven der engelen en tot menschelijke wezens zijn nedergedaald. De liefde is een deel van de ziel en evenals deze een goddelijke vonk, onverderfelijk, ondeelbaar, onvergankelijk. De liefde is een onsterfelijke vuursprank in ons, die niets kan dooven. De gelieven, die gescheiden zijn, vullen de afwezigheid met duizend hersenschimmen, die allen werkelijkheden zijn. Laat men hen beletten elkander te zien, of elkander te schrijven--zij zullen een menigte geheime middelen vinden om met elkander in gemeenschap te blijven. Zij zenden elkander het gezang van de vogelen, den geur van de bloemen, het licht van de zon, de zuchten van den wind, den lichtglans der sterren, al wat er heerlijks is in de schepping. De liefde is machtig genoeg om de gansche natuur met hare boodschappen te belasten.
De liefde kent oogenblikken, waarin de ziel knielt, in welke houding het lichaam ook zij. Zoodra de liefde twee wezens tot een hemelsche eenheid heeft samengesmolten, is door beiden het geheim des levens gevonden; zij zijn dan slechts de twee elementen van het goddelijk mysterie eener heilige twee-eenheid.
De ware liefde is microcosmos en macrocosmos tegelijk--zij is troosteloos of verrukt over een gevonden handschoen, en zij behoeft een eeuwigheid voor haar hoop en haar trouw. Zij omvat tegelijkertijd het oneindig kleine en het oneindig groote.
Van liefde sterven is ervan leven, dus gij die lijdt door de liefde, bemin nog meer. Naast elkander in het graf liggen en van tijd tot tijd elkander in de duisternis de hand streelen, zou voor de eeuwigheid voldoende zijn.
Hoe grootsch is het, bemind te worden! Maar grootscher is het te beminnen. Liefde vervult het hart met heldenmoed. Het bestaat dan louter uit reinheid, het haakt naar niets dan wat groot en verheven is. Een lage gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een distel in een ijskristal. De minnende ziel bewoont het blauw des hemels en voelt de diepe onderaardsche schokken van het lot minder nog dan de toppen der bergen aardbevingen voelen. Als er niemand was die beminde, zou de zon uitdooven. Liefde is inademing van paradijslucht.--
Het zijn niet alleen de dichterzielen die in extase zoo de liefde bezingen. In gelijksoortige formules vinden wij haar verheerlijkt door denkers, geleerden, natuurkundigen, door allen die geestelijk hoog staan. De hooggestemde verstandsmensch ziet in de liefde evenveel schoonheid als de fijn besnaarde gevoelsmensch, en hun geestdrift stijgt tot dezelfde in het blauw zich verliezende hoogten. Doen wij slechts een greep in de aphorismen op de liefde in Mantegazza's Physiologie der Liefde.
Een der vele wonderen der liefde is, dat zij onbluschbaar is en door geven niet afneemt maar aangroeit. De liefde is een onleschbare dorst, een oceaan, dien niemand zou kunnen ledigen, want als de gloed der zon er een golf van doet opgaan in damp, voeren honderd stroomen duizend nieuwe golven aan.
De liefde tot rede te willen brengen is hopeloozer taak dan het kwadraat van den cirkel te willen vinden.
De Olympus der liefde telt meer helden en martelaren dan eenig Pantheon ter wereld en biedt meer heerlijkheden dan de paradijzen aller godsdiensten tezamen.
Ieder vindt juist zooveel liefde als hij verdient. Het lijden des harten te verzachten met den balsem der liefde is een der kuren, waarbij moeilijk valt te zeggen wie het meest te benijden is, de zieke of de arts.
De natuur heeft den man polygaam geschapen; het is de hooge roeping der vrouw hem monogaam te maken.