DR. KARL MAY'S REISAVONTUREN
DOOR HET LAND DER SKIPETAREN
VAN
DR. KARL MAY
Naar het 47ste duizendtal der Duitsche uitgave
Met 8 Platen naar Teekeningen van Jan Sluyters
TWEEDE DRUK
AMSTERDAM H. J. W. BECHT
Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.
EERSTE HOOFDSTUK.
ONTMASKERD.
De Turksche rechtpleging, heeft, zooals bekend is, haar eigenaardigheden, men zou zelfs kunnen zeggen haar schaduwzijden, die te meer uitkomen naarmate de streek waarvan sprake is, meer afgelegen is.
Onder de heerschende omstandigheden is het dus niet te verwonderen dat daar, waar de verschillende bandelooze stammen der Arnauten, die voortdurend met elkaar in oorlog leven, gevestigd zijn, van "recht" eigenlijk geen sprake wezen kan.
Bij Ostromdscha begint het gebied der Skipetaren, die maar één wet kennen, nl. dat de zwakkere voor den sterkere moet wijken. Toen dan ook ons optreden tegenover den Mubarek, [1] ons met het "gerecht" in aanraking bracht, begrepen wij, dat, wilden wij niet aan het kortste eind trekken, ook wij die wet moesten toepassen. Wij hadden dit reeds in den namiddag gedaan, en wel met goed gevolg, en waren van plan, op de zitting waar wij thans werden gewacht, eveneens op krachtige wijze op te treden.
Toen wij ons naar het "gerechtsgebouw" begaven, begon de avond reeds te vallen. Wij zagen onderweg verscheidene menschen die op de binnenplaats geen plekje meer hadden kunnen vinden en zich nu langs den weg hadden opgesteld, om ons ten minste te zien voorbijkomen.
Nadat wij op de binnenplaats waren aangekomen, werd de poort achter ons gesloten, wat voor ons geen goed teeken was. De Mubarek had al zijn invloed doen gelden, en naar het scheen met goed gevolg.
Wij baanden ons een weg door de menschen, tot aan de plek waar het verhoor zou plaats vinden. Behalve een stoel stond er een lange bank en waren alle benoodigdheden voor de bastonnade voorhanden.
Men had olie in de bakken gedaan en het werk aangestoken, wat over den geheelen omtrek een fantastisch licht verspreidde.
De heeren van het gerecht waren in het huis. Men verwittigde hen van onze komst. De Khawassen stelden zich rondom ons op, zoodat de weg naar de poort voor ons was afgesneden. Daar deze gesloten was, scheen ons het optreden van de politiemannen dubbel bedenkelijk.
Doodsche stilte heerschte rondom. Nu verschenen de vijf heeren en de Khawassen presenteerden de blanke sabel.
--O, Allah!--zeide Halef spottend. Wat zal ons gebeuren, Sihdi! Ik sidder van angst.
--Ik ook!
--Zal ik die domme menschen, die zich verbeelden dat zij ons met hun sabels vrees kunnen aanjagen, eens kennis laten maken met mijn zweep?
--Geen dwaasheden! Gij hebt vandaag reeds eenmaal ondoordacht gehandeld en zijt daardoor grootendeels schuld dat wij ons hier bevinden.
De vijf rechters hadden plaats genomen.
De Kodscha Bascha op den stoel, de anderen op de bank. Een vrouw drong door de menigte heen en nam plaats achter den plaatsvervanger. Ik herkende dadelijk Nohuda, die haar schoonheid door 't gebruik van oker trachtte te verbergen. De plaatsvervanger scheen dus wel haar gelukkige echtgenoot te zijn. Hij had een onbeduidend gelaat.
Naast den Kodscha Bascha zat de Mubarek. Hij had een papier op de knieën, terwijl tusschen hem en zijn buurman een klein potje stond. Daar er een veerenpen in stak, vermoedde ik dat het inkt bevatte.
De Kodscha Bascha schudde het hoofd en schraapte zich de keel. Dat was het teeken dat de zitting een aanvang nemen zou. Met kraaiende stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, begon hij:
--In den naam van den Profeet, en in naam van den Padischa, wien Allah een lang leven schenke, wij hebben deze Kasa bijeengeroepen om te oordeelen over twee misdaden, die heden in onze stad en in de nabijheid daarvan, hebben plaats gevonden. Selim kom naar voren. Gij zijt de aanklager. Vertel nu, wat er met u is gebeurd.
De Khawas trad nader en begon zijn verhaal. Wat wij te hooren kregen was inderdaad belachelijk. Hij was ingespannen bezig met ambtelijk werk, toen hij door ons, met moorddadige bedoelingen, werd overvallen. Alleen door zijn tegenwoordigheid van geest en zijn dapper verweer, was hij er in geslaagd zijn leven te redden.
Toen hij uitgesproken had, vroeg de Kodscha:
--En wie heeft u geslagen?
--Deze!--antwoordde hij op Halef wijzende.
--Wij weten nu, wie het is en wat hij heeft misdreven, en zullen dus beraadslagen wat ons in deze te doen staat.
Hij fluisterde een poos met zijn mederechters en zeide toen met luider stemme:
--De Kasa heeft besloten, dat den misdadiger op iedere voetzool veertig zweepslagen zullen worden toegediend, waarna hij veertig dagen zal worden gevangen gezet. Aldus geschiede in naam van den Padischa, wien Allah zegene!
Halef greep naar zijn zweep, en ik had groote moeite om niet in lachen uit te barsten.
--En nu is het tweede vergrijp aan de orde!--verkondigde de ambtenaar.--Manuwadschi kom naar voren en spreek!
De man deed wat hem gezegd werd. Hij scheen angstiger te zijn dan ik. Maar toen hij zijn verhaal wilde beginnen, wendde ik mij op zeer beleefden toon tot den Kodscha Bascha, met de woorden:
--Zoudt gij zoo beleefd willen zijn om op te staan! Hij rees, niets vermoedende, van zijn zitplaats op, waarna ik hem op zij schoof en zelf zitten ging.
--Ik dank u!--zeide ik.--Het past den mindere den meerdere eer te bewijzen. Gij hebt u zeer goed gedragen.
Het is dood jammer, dat het niet mogelijk is een juiste beschrijving te geven van zijn gezicht. Hij begon vervaarlijk te knikkebollen, wilde spreken, maar kon van louter schrik geen woord over de lippen krijgen. Om nu ten minste toch uitdrukking te geven aan zijn ontsteltenis, al was het dan ook alleen door gebaren, strekte hij zijn armen uit en sloeg de handen boven zijn knikkend hoofd ineen.
Niemand sprak een woord. Geen Khawas verroerde zich. Men wachtte blijkbaar op een uitbarsting van woede van den gebieder. Deze kwam eindelijk weer eenigermate tot zichzelf, deed allerlei uitroepen en schreeuwde mij ten slotte toe:
--Wat verzint gij? Hoe kunt gij zoo ontzettend onbeschaamd zijn, en--
--Hadschi Halef Omar! viel ik hem op luiden toon in de rede. Neem uw zweep en den eerste den beste die het waagt mij nog één onvertogen, onbeleefd woord toe te voegen, geeft gij een pak slaag dat de stukken er af vliegen, onverschillig wie het zijn moge!
De kleine Hadschi stond dadelijk klaar met zijn zweep.
--Emir, ik gehoorzaam!--zeide hij op vasten toon. Gij hebt mij maar een wenk te geven.
Het was jammer dat de verlichting veel te wenschen overliet, anders had men heel wat verbaasde gezichten kunnen zien. De Kodscha Bascha was blijkbaar met zijn houding verlegen. Toen fluisterde de Mubarek hem een paar woorden in het oor, waarna hij de Khawassen beval:
--Neemt hem gevangen en sluit hem in den kelder!
Hij wees daarbij naar mij.
De politiedienaren traden nader, met de blanke sabel in de hand.
--Terug!--riep ik hun toe.--Wie 't waagt mij aan te raken, schiet ik neer.
Ik hield hun de beide revolvers voor, en in het volgende oogenblik zag ik geen Khawas meer. Zij waren onder de menigte verdwenen.
--Wat is de aanleiding tot uw toorn?--vroeg ik den Kodscha. Waarom staat gij? Laat den Mubarek opstaan en zet gij u op zijn plaats.
Nu ging er een luid gemompel door de menigte. Dat ik den Kodscha durfde beleedigen, was nog denkbaar, maar dat ik nu ook den Heilige aanviel, dat werd hun toch wat te erg. Men begon te morren.
Dat gaf den Kodscha moed. Hij riep mij toornig toe:
--Mensch, gij moogt zijn wie gij wilt, maar voor zooveel onbeschaamdheid zal ik u ten strengste straffen. De Mubarek is een Heilige, een uitverkorene van Allah, een wonderdoener. Wanneer hij wil, kan hij het vuur uit den Hemel op uw hoofd doen nederdalen!
--Zwijg, Kodscha Bascha! En als gij spreken wilt, spreek dan verstandig. De Mubarek is geen Heilige en evenmin een wonderdoener. Hij is een misdadiger, een woekeraar, een booswicht!
Kreten van afkeuring gingen nu uit de menigte op, maar boven alles uit, klonk de stem van den Mubarek. Hij was opgestaan en strekte de hand naar mij uit.
--Hij is een Giaur, een ongeloovige hond. Ik vervloek hem. Moge de hel zich voor hem openen en hem verslinden. De booze geesten zullen...
Verder kwam hij niet, want mijn kleine Hadschi had hem zulk een zweepslag toegediend, dat de oude zondaar in zijn woorden bleef steken en een geweldigen luchtsprong maakte.
Dat was een waagstuk, zooals dan trouwens ook al heel spoedig bleek. Na een oogenblik van volkomen stilte, vernam men aan alle kanten dreigende kreten uit de menigte. Er ontstond gedrang. Ik ging vlug naast den Mubarek staan.
--Rahat-Süküt! Weest rustig en stil! Ik zal u bewijzen dat ik gelijk heb. Halef, breng het licht eens naderbij.--En nu, menschen, ziet, wie de Mubarek is en hoe hij u bedriegt. Ziet gij deze krukken? Ik pakte den schurk met de rechterhand in den nek, en kneep zijn mageren hals haast fijn. Met de linkerhand rukte ik zijn kaftan open. Juist, aan iedren kant hing een kruk. Beide waren van scharnieren voorzien en konden dubbel geslagen worden.
Bij die gelegenheid zag ik dat de binnenkant van zijn kaftan anders was gekleurd dan de buitenkant. Er waren verscheidene zakken in het kleedingstuk. Ik tastte in den eerste den beste en haalde een harig voorwerp te voorschijn. Het was een pruik, juist het vale verwarde haar, dat ik bij den bedelaar had opgemerkt.
