De kerel was zoo verschrikt, dat hij vergat eenigen tegenstand te bieden. Nu echter schreeuwde hij om hulp en sloeg de armen om zich heen.
--Osko, Omar! houdt hem vast. En stevig! Of het hem pijn doet, hindert niets!
De beide aangesprokenen grepen hem, zoodat ik nu mijn handen vrij had. Daar Halef een der olievaten weer in de nabijheid had gezet, werd de groep helder verlicht en konden de aanwezigen duidelijk alles zien. Zij bleven rustig.
--Deze man,--ging ik voort,--dien gij allen voor een heilige houdt, is een bondgenoot van den duivel, of misschien wel de duivel zelf. Zijn woning is een verblijfplaats van dieven en moordenaars, zooals ik u later zal bewijzen. In allerlei vermommingen trekt hij het land door, om gelegenheden tot misdaden op te zoeken. Hij en de bedelaar Sakat, zijn een en dezelfde persoon. Hier onder de oksels bindt hij de krukken. En daar zij onder het loopen tegen elkander slaan, hebt gij dat gehouden voor het rammelen van zijn knokken. Hier is de pruik, die hij als kreupele draagt!
Ik leegde zijn zakken een voor één, bekeek de voorwerpen en verklaarde hun doel en gebruik.
--Hier is een busje met meel, dat dienen moet om hem een andere gelaatskleur te geven. Daar is de lap waarmee hij het weer gauw kan afvegen. Hier is een fleschje water, wat zeker dienen moest om zich behoorlijk te kunnen afwasschen op plaatsen waar geen water bij de hand was. En wat ziet gij hier? Ja, wat zou dat wel wezen? Twee gummi balletjes, die hij gebruikte om zich wangen te maken als hij den bedelaar wilde voorstellen. Zijn gelaat was dan voller. Ziet gij de verschillende kleuren van den kaftan. Als bedelaar keerde hij den donkeren kant naar buiten en bond zich dien om het middel vast. Dan zag het kleed er oud en afgedragen uit. Hebt gij ooit den bedelaar en den Mubarek tegelijk gezien? Zeker niet, want dat was ook niet mogelijk, daar het een en dezelfde persoon was. En heeft de Mubarek zich niet het eerst vertoond, toen ook de bedelaar in den omtrek kwam?
Deze laatste argumenten schenen wel het meest overtuigend te zijn, want van alle kanten hoorde men goedkeurende en toestemmende uitroepen.
Nu nam ik een klein pakje uit een der zakken. Ik wikkelde de lompen, waarin het gewikkeld was, los en haalde een armband van oude Venetiaansche goudstukken te voorschijn. Bij eenige munten was de stempel nog zeer duidelijk zichtbaar. Bij het licht der vlammen zag ik, op een der keerzijden, duidelijk het beeld van den heiligen Markus, die den Doge het kruisvaandel overreikt, en aan de andere zijde het beeld van een anderen mij onbekenden heilige, omgeven door sterren en de woorden: Sit tibi, Christe, datus, quem tu regis, iste ducatus.
--Hier is een Bilezik van twaalf gouden munten, in een lap gewikkeld,--ging ik voort,--wie weet waar hij die gestolen heeft! Wanneer gij navraagt, zal de eigenares vermoedelijk wel te vinden zijn.
--On iki zikkeler, twaalf muntstukken!--riep een vrouwenstem achter mij.--Laat eens zien! De vorige week is mij zulk een armband ontstolen.
Het was Nohuda, de Erwt; zij kwam nu naderbij, nam mij den armband uit de hand, bekeek dien en riep uit:
--Allah! het is de mijne. Het is een erfstuk van een mijner vrouwelijke voorouders. Bekijk hem en overtuig u dat hij inderdaad mij toebehoort.
Zij reikte hem haar man.
--Bij Allah, het is de uwe!--erkende hij.
--Bedenk u dus eens, Nohuda, of de Mubarek omstreeks dien tijd bij u is geweest,--zeide ik.
--De Mubarek niet, maar de kreupele. Hij werd binnengeroepen om wat eten in ontvangst te nemen. Ik had mijn sierraden op de tafel liggen en bergde die in een kastje weg. Dat heeft hij gezien. En toen ik een paar dagen later er naar keek, was de armband verdwenen.
--Nu, nu kent gij den dief!
--Ja hij is het! Hij had hem! Het is bewezen. O schavuit, die gij zijt! Ik zal u de oogen uitkrabben. Ik zal------
--Zwijg nu!--viel ik haar in de rede, bevreesd dat als de stroom harer welbespraaktheid eenmaal was losgebroken, die niet zoo spoedig weer tot staan zou zijn gebracht.
--Neem den armband terug en laat den dief straffen. Gij ziet nu eens, welk een mensch gij allen hebt vereerd. En die roover is nog wel tot Basch Kiatib benoemd en heeft over anderen recht gesproken. Mij heeft hij reeds naar de hel gevloekt, en het heeft niet veel gescheeld of hij had de hier verzamelde menigte tegen mij in het harnas gejaagd. Ik eisch dat hij op een veilige plaats wordt opgesloten, vanwaar ontkomen niet mogelijk is, en dat de Makredsch van Saloniki onmiddellijk met het gebeurde in kennis wordt gesteld.
Men was het niet alleen volkomen met mij eens, maar riep van alle kanten:
--Laat hem eerst afranselen! Geef hem een bastonnade! Slaat hem de voetzolen stuk!
--Sapijtijn iz ona bojunu!--Draait hem den hals om!--krijschte Nohuda, die woedend was over den gepleegden diefstal.
De Mubarek had tot nu toe gezwegen. Maar nu schreeuwde hij:
--Gelooft hem niet! Hij is een Giaur. Hij is de dief en heeft mij den armband eerst zooeven in mijn zak gestopt. Hij--Aï, Aï!--
Hij viel zichzelf met dien uitroep van pijn in de rede, omdat Halefs zweep onzacht op zijn rug neerkwam.
--Wacht schurk! riep de Hadschi.--Ik zal op uw rug schrijven dat wij eerst heden hier in de buurt zijn gekomen. Hoe kan de Emir dan den armband hebben gestolen? En buitendien, zulk een beroemde Effendi is geen dief. Daar hebt gij uw loon!
Hij diende hem nog een paar zweepslagen toe, waardoor de oude schavuit brulde van pijn.
--Aferim! Aferim! Bravo! Bravo! riepen de lieden die een oogenblik van te voren ons gevaarlijk dreigden te worden. De Kodscha Bascha wist niet wat hij doen of zeggen moest. Hij liet mij mijn gang gaan, maar had toch gauw van de gelegenheid gebruik gemaakt om weder op zijn stoel te gaan zitten. Zoo was dan toch tenminste zijn eer gered. Zijn medeaanzittenden zwegen. Zij schenen het ietwat benauwd te hebben. De Khawassen bemerkende dat mijn papieren begonnen te stijgen, en aannemende dat ik daardoor goed gehumeurd en niet meer gevaarlijk voor hen wezen zou, kwamen, de een vóór, de ander na, weer naderbij.
--Bindt den kerel!--riep ik hun toe. Boeit hem!
Zij gehoorzaamden onmiddellijk, en geen der aanwezige rechterlijke ambtenaren verzette zich tegen mijn eigenmachtig optreden.
De Mubarek bemerkte zeer goed, dat het voor hem het verstandigste was zich in zijn lot te schikken. Hij liet zich binden zonder den minsten tegenstand te bieden en ging toen weer op zijn plaats zitten, waar hij ineen zonk. De anderen stonden onmiddellijk op. Zij wilden de bank niet met een misdadiger deelen.--En nu zullen wij op de rechtspraak terug komen!--zei ik tegen den Kodscha Bascha.
--Kent gij de wetten van uw land?
--Natuurlijk moet ik die kennen!--antwoordde hij--ik heb immers aan de hoogeschool gestudeerd.
--Dat geloof ik niet!
--Waarom niet?--vroeg hij beleedigd.--Ik ken het geheele geestelijk recht dat op den Koran berust, op de Sunna en de uitspraken van de eerste vier Khalifen.
--Kent gij dan ook het Mülteka el buher, wat uw burgerlijk en strafrechterlijk wetboek is?
--Ook dat ken ik. Scheik Ibrahim Halebi heeft het vervaardigd.
--Wanneer gij die bepalingen inderdaad kent, waarom handelt gij dan niet dienovereenkomstig.
--Ik heb mij steeds en ook heden stipt daaraan gehouden.
--Dat is niet waar. Er staat geschreven, dat de rechter ook zelfs den grootsten misdadiger, alvorens hem te veroordeelen, gelegenheid geven moet tot verdediging. Gij hebt nu mijn vriend en metgezel veroordeeld, zonder hem ook maar een enkel oogenblik aan het woord te laten. Uw vonnis is dus niet rechtmatig. Ook moeten bij de behandeling alle aangeklaagden en alle getuigen tegenwoordig zijn, en dat was hier niet het geval.
--Ze zijn er immers allen!
--Neen. Ibarek de herbergier ontbreekt. Waar is hij?
De rechter schudde verlegen met het hoofd, stond op en antwoordde:--Ik zal hem laten halen!
Hij wilde weggaan, maar ik vermoedde wat met Ibarek was gebeurd, en hield den Kodscha Bascha tegen, terwijl ik de Khawassen gelastte:
--Ga Ibarek halen, maar gij brengt hem hier, precies in denzelfden toestand waarin gij hem vindt!
Twee hunner gingen heen en keerden weldra met den waard terug. Men had hem de handen op den rug gebonden.
--Wat is dat? Wat heeft de man gedaan dat men hem heeft gebonden?--vroeg ik.--Wie heeft daartoe het bevel gegeven?
--De Bascha schudde vervaarlijk met het hoofd en zeide:
--De Mubarek wilde het zóó!
--Dus moet de Kodscha Bascha doen, wat de Basch Kiatib beveelt? En gij zegt nog wel, dat gij de wetten hebt bestudeerd! Dan is het inderdaad geen wonder, dat in uw gebied een spitsboef voor een Heilige wordt gehouden.
--Ik was in mijn recht!--verdedigde hij flauwtjes.
--Dat kunt gij mij niet bewijzen!
--O zeker! Ik heb u niet laten gevangen nemen, omdat gij vreemdeling zijt. De herbergier echter is een inwoner des lands en staat onder mijn macht!
--En gij meent dat gij die macht moogt misbruiken! Daar staan nog eenige honderden uwer ondergeschikten. Meent gij, dat gij maar met hen doen kunt wat u goeddunkt! Misschien hebt gij dat tot nu toe wel gedaan, maar zij zullen, wat heden is voorgevallen, wel ter harte nemen en voortaan gerechtigheid verlangen. Ibarek is bestolen geworden. Hij kwam tot u om hulp en inplaats daarvan hebt gij hem laten boeien en opsluiten. Hoe zult gij die onrechtvaardigheid verantwoorden? Ik verlang dat gij hem onmiddellijk losbindt!