--Dat moeten de Khawassen doen!
--Neen, gij zelf zult het doen, tot boete voor uw groote onrechtvaardigheid.
Dat was hem toch te veel. Toornig sprong hij op.
--Wie zijt gij eigenlijk, dat gij hier een toon aanslaat als waart gij de Makredsch of Bilad i Kamse Mollatari in persoon.
--Hier zijn mijn papieren!
Ik gaf hem mijn drie passen. Toen hij het Teskereh, het Buyuruldi en zelfs den Ferman zag, kneep hij verschrikt zijn kleine waterige oogen dicht en zijn hoofd knikte heen en weer als het Metronoom van den beroemden Regensburger Johann Nepomuk Mälyz.
--Heer, gij staat onder bescherming van den Grooten Heer! riep hij uit.
--Zorg dan, dat ik een deel dier bescherming over u kan uitstrekken.
--Ik zal doen wat gij verlangt.
Hij trad op Ibarek toe en maakte hem de banden los.
--Zijt gij nu tevreden? vroeg hij.
--Ten deele. Er wordt nog meer van u verlangd. Uw Khawas Selim heeft een valsche getuigenis afgelegd. De zaak heeft zich heel anders toegedragen, dan hij heeft verteld. De Mubarek zal hem wel hebben voorgezegd, wat hij zeggen moest om ons het meeste kwaad te doen.
--Dat geloof ik niet!
--Maar ik geloof het wel, want hij heeft ook den overman verleid om omtrent mij een onware getuigenis af te leggen.
--Is dat waar?
Deze vraag was gericht tot den overman, die nu van meening was, dat de Mubarek hem geen kwaad meer kon doen en dus vrijuit vertelde, dat deze hem de les had voorgezegd.
--Gij ziet,--aldus wendde ik mij tot den Bascha,--dat ik dezen man geenszins naar het leven heb gestaan. Ik bemerkte dat hij de compagnon van dien oude was, en nam hem met mij mede om daarvan wat naders te weten te komen. Dat is alles, en indien gij mij daarvoor wilt straffen, ben ik bereid mij te verdedigen!
--Heer, er kan geen sprake zijn van u te bestraffen, want gij hebt geen kwaad gedaan!
--Dan kan ook mijn metgezel niet worden gestraft wegens zijn optreden tegenover den Khawas, want niet hij, maar heel iemand anders is daar de schuld van!
--En wie is die andere?
--Gij zelf!
--Ik?--Hoezoo?
--Toen Ibarek bestolen was geworden, kwam hij tot u om 't aan te geven. En wat hebt gij gedaan om uw plicht te vervullen?
--Alles wat ik kon!
--Zoo! En dat was?
--Ik heb Selim opgedragen om na te denken over hetgeen in deze kon worden gedaan!
--En de andere Khawassen hadt gij daarmede niet belast!
--Neen, dat was niet noodig, die hadden toch niets gevonden!
--Dan moeten uw politiedienaren wel zeer groote domkoppen zijn, als gij reeds vooruit weet dat zij geen succes zullen hebben. De misdaad heeft hier plaats gehad. En waarom dan de zaak juist opgedragen aan Selim, die eerst sedert kort hier is gevestigd?
--Omdat hij de knapste is!
--Ik vermoed, dat gij daarvoor een heel andere reden hadt.
--Heer, welke reden zou ik daarvoor hebben?
--Een goed ambtenaar spant alle krachten in om de bedrijvers van dergelijke misdaden te vinden. Maar gij hebt gezwegen en den eene wien gij er mede in kennis steldet, een geheele week tijd gegeven om over de zaak na te denken. Het had er alles van, alsof gij de dieven gelegenheid wildet geven om weg te komen.
--Effendi, wat denkt gij wel van mij!
--Mijn oordeel over u is het gevolg van uw manier van handelen. Niets lag meer voor de hand, dan dat gij hier in Ostromdscha naar de misdadigers liet zoeken.
--Zij zijn immers naar Doiran gereden!
--Om dát te gelooven, moet men al heel onnoozel zijn. Geen dief zal ooit zeggen, waar hij van plan is heen te gaan. Dat moest gij als oud jurist toch weten. En wat nu, als ik tot de ontdekking kom dat gij een vriend van die misdadigers zijt?
Hij begon van louter schrik weer met het hoofd te knikken.
--Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden, riep hij uit.
--Zeg maar liever niets, want mijn meening blijft toch dezelfde. Wanneer gij u in deze zaak hadt gedragen, zooals uw plicht u dat gebood, waren de dieven al lang ontdekt!
--Gelooft gij dan dat zij vrijwillig bij mij zouden zijn gekomen om zich aan te geven?
--Neen, maar ik geloof dat zij hier in Ostromdscha zijn!
--Onmogelijk; in geen enkelen Konak zijn die reizigers afgestegen.
--Dat zullen zij wel laten. Zoo dicht bij de plaats van de misdaad zullen zij zich niet openlijk vertoonen. Zij hebben zich verborgen.
--En moet ik dan weten bij wien?
--Waarom niet? Ik ben een vreemde en weet het toch!
--Wat? Weet gij het?
--Ja, en heel nauwkeurig zelfs!
--Dan moet gij alwetend zijn!
--Neen, maar ik heb geleerd na te denken. Zulke schurken verbergen zich natuurlijk alleen bij iemand, die even slecht is als zij. Wie is nu het slechtste schepsel in Ostromdscha?
--Meent gij den Mubarek?
--Geraden!
--En bij hem zouden zij zijn?
--Precies!
--Gij vergist u.
--Ik vergis me zoo weinig, dat ik bereid ben met u een weddenschap aan te gaan. Wanneer gij de dieven gevangen wilt nemen hebt gij maar naar boven op den berg te gaan.
Hij keek den Mubarek aan, en deze beantwoordde dien blik. Het scheen mij alsof die twee het met elkander eens waren.
--Die tocht zou tevergeefs zijn, Heer!--zeide hij.
--Ik ben van het tegendeel overtuigd, en ik zeg u dat wij niet alleen de dieven maar ook de gestolen voorwerpen zouden vinden. En daarom gelast ik u mij met de Khawassen te volgen!
--Gij schertst toch zeker!
--Neen, het is mij volle ernst!
--In deze duisternis?
--Zijt gij bang?
--Neen, maar zulke menschen zijn gevaarlijk. Indien zij inderdaad daarboven zijn, zullen zij zich verdedigen. Wacht liever tot morgen als de dag is aangebroken.
--Vóór dien tijd zouden zij kunnen ontsnappen. Het heeft er trouwens wel iets van of hier menschen zijn, die de dieven zouden waarschuwen.
--Dat zal niemand doen. Ik zelf zou er voor zorgen, dat niemand naar de ruïne kon gaan.
--Zorg liever dat wij spoedig kunnen opbreken, en gelast dat er lantaarns worden mede genomen!
--Maar, Heer, laat dat voornemen toch varen!
--Neen, wanneer gij uw plicht niet wilt doen, kunt gij thuis blijven. Ik zal wel menschen vinden, die het ambt van Kodscha Bascha meer waard zijn dan gij!
Dát hielp. Hij schudde nog wel hoogst bedenkelijk met het hoofd, maar zeide toch:
--Gij moet mijn bedoeling niet miskennen. Ik ben slechts op uw eigen welzijn bedacht, en verlang niet dat gij u in gevaar begeeft!
--Bekommer u daar maar niet over. Ik zal wel voor mijzelf zorgen.
--Gaat de Mubarek meê?
--Ja, hij moet ons den weg wijzen!
--Dan zal ik voor verlichting en voor wapens zorgen!--zeide hij, en ging in huis om, zooals ik vermoedde, een en ander in orde te maken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN NACHTELIJKE TOCHT.
De Kodscha Bascha keerde weldra terug met eenige oude lantarens, fakkels en een aantal spanen, waarna wij ons op weg begaven waarbij velen der omstanders zich bij ons aansloten.
Een nachtelijke tocht naar de ruïne om dieven op te vangen, dát was nog nooit alhier vertoond en was een heel vermaak voor de bevolking; daarom gingen ook nagenoeg alle bewoners van de plaats met ons mede.
Voorop gingen eenige Khawassen, dan volgde de Bascha met de overige rechters, daar achter de Mubarek tusschen Osko en Omar, wie ik zijn bewaking had opgedragen; vervolgens kwam ik met Halef en de beide zwagers, de herbergiers, terwijl daar achter alle bewoners van Ostromdscha, mannen en vrouwen, oud en jong volgden.
Luid pratende, werd de tocht begonnen, maar hoe dichter wij bij de ruïne kwamen, hoe stiller de menschen werden. Zij begonnen in te zien, dat men voorzichtig zijn moet om dieven te vangen.
Eindelijk bij den rand van het bosch, bleven velen achter. Dat waren de vreesachtigen. Zij bezwoeren bij hoog en laag, dat zij hier alleen post vatten, opdat de dieven langs dezen weg niet zouden kunnen ontkomen.
Toen wij eindelijk op de open plek waren aangekomen, heerschte daar een stilte als van het graf. De helden kregen het benauwd. De spitsboeven konden ieder oogenblik te voorschijn komen, of zich achter een boom hebben verborgen. Men ging zoo zachtjes voorwaarts, om hen niet op te jagen, en om geen kans te loopen dat deze of gene met hen handgemeen werd, want er waren vrouwen ook bij.
De Mubarek stond met Osko en Omar voor de deur van de ruïne. Hij verlangde dat wij hem zouden binnen laten. Daar hij zich met chemie bezighield en allerlei zoogenaamde tooverkunsten kende, vertrouwde ik hem niet best. Hij kon wel het een of ander hebben in orde gemaakt, voor het geval van een plotselinge gevangenneming.
--Wat moet gij daar binnen doen?--vroeg ik. Hij antwoordde niet. De goede man scheen niets meer van mij te willen weten.
--Wanneer gij geen antwoord geeft, kunt gij ook niet verwachten, dat aan uw verzoek wordt voldaan.
Nu antwoordde hij.
--Ik heb daar dieren, die gevoederd moeten worden.
--Dat zal ik zelf morgen wel doen. Uw tehuis is voortaan de gevangenis, maar toch zal ik doen wat gij verlangt, indien gij mij naar waarheid antwoordt op eenige vragen die ik u zal stellen.
--Vraag maar op!
--Hebt gij bezoek?
--Neen.
--Er woont dus niemand in uw hut dan gij alleen, en gij weet ook niet of het mogelijk is dat een ander zich in de hut ophoudt.
--Er is niemand, anders moest ik het weten.
--Kent gij ook twee personen, met name Manach el Barscha en Barud el Amasat?
--Ik ken noch den een noch den ander.
--En toch beweren zij, u zeer goed te kennen.
--Dat is niet waar.