Ernest bestond bijna buiten moeders zorgen en geheel buiten de herinnering aan zijn zusje. Francine kwam eens in 't jaar naar huis, bleef enkele dagen, was een broos bleek meisje met een vroom-gemanierde houding die in het hotel van de Regentielaan niet thuis hoorde. Ze kwam en ging. 't Gebeurde eens in 't jaar, en gebeurde het waarlijk? Niemand zag naar heur om, en 't leek wel alsof het niet gebeurde. Zij ging, en 't was al niet meer gebeurd. Tusschen deze drie wezens, waar de komst van mijnheer Chanteraine stilaan de lauwte van eene zonderlinge onverschilligheid had gebracht, behield mijnheer du Bessy toch, als teere snoerkens, de banden van een natuurlijke genegenheid. De invloed van den minzamen baronet was zekerlijk niet zwaarwichtig; ook werd deze invloed te grillig, te ongeregeld bewerkt om het tijdelijk doel van mijnheer du Bessy stelselmatig te bevorderen. Maar mijnheer du Bessy was elkendeen zoo innig sympathiek, dat hij het verwantschapsgevoel onder de leden van de verlaten familie wist te bewaren.
Mijnheer Chanteraine bezweek aan een schielijke beroerte. Het was, korten tijd na dit ongeval, alsof mevrouw Chanteraine hare kinderen wedervond. Ze riep Francine uit het pensionaat, verwonderde zich over hare schoonheid, liet haar thuis een goed onderwijs geven en was bezorgd omtrent de minste regeling van deze nieuwe opvoeding. Ze had gedurig wat op te merken--de taalmeesteres was te streng, de borduurmeesteres was niet kunstig, de zangmeesteres was leelijk. Ze placht te zuchten, terwijl ze Francine kuste:
--Och, wat doen ze alweer met mijn dierbaar kind! ....
Ze merkte dan dat Francine's oogen er moede uitzagen, dat haar goudblonde haar niet meer zoo glansde, dat de blos op hare wangen doffer werd, dat haar stem niet zoo fijnhelder opzilverde; ze aaide haar kind en troetelde het, klagend en deernisvol:
--Wat doen ze, wat doen ze toch, lieve Fran!....
En Francine lachte en was dankbaar.
Met Ernest deed mevrouw Chanteraine nog gevoeliger. Hare liefde straalde over hem en warmde gretig zijn kleinste begeerten. Niets kon ze hem weigeren, verlangend en aandachtig ging ze zijn wil te gemoet. Ze was schrander van zinnen en kon met ongewone teergevoeligheid de luttele geheimen raden, die optikkelden, menig en veranderlijk, in zijne jonge ziel. Die behandeling oefende op hem een onverwachten invloed. Hij werd eerst zeer minzaam, dan uitgelaten, dan verwend en tiranniek. Toen hij het athenaeum verliet en student werd in de rechten, sprong hij als een woestaard in het studentenleven. Hij bleef laat uit, was op alle partijen, braste geweldig en verging in een roes van ziekelijk gezwabber. 't Mocht geld kosten. Na een tijd was hij tot de overtuiging gedaald dat het geld kosten móest. Daar was immers geld. Hij eischte 't in overdaad en moeder dierf niet weigeren. Wel berispte de oude du Bessy zijn bedorven neef. 't En baatte. De student boemelde, deed gemeen in late kroegen, hield er een danseresje op na, dat hem in het Zomerpaleis was aangekleefd en zijn kleederen met patchouli besmette. Moeder zeide niets. Een groote ernst was over moeders gezicht gekomen. Ze zag alles, ze wist alles. Brieven van sletjes vielen haar in de handen. Ze zweeg. Hare oogen werden grijzer en haar voorhoofd bleef niet zoo glad-effen. Soms was haar gelaat, boven het malsche zwart van haar kleed, krijtwit en eendelijk. Soms waren hare oogleden blauwrood, en kleurloos hare lippen. Soms schenen hare handen zoo bleek, zoo mager, zoo akelig-lang .... Ernest lette op niets. De weken en maanden woeien over hem, en hij ging maar door, in zijn roes voortrakkerend, en ploeterend midden zijn lage pret. Toen ontmoette hij Simon Peter.
Hij ontmoette Peter in het atelier van zijn joelmakker Florjan Pacôme, den schilder van viezigheidjes. Het trof hem hoe schoon en sterk de blik van Peter was, hoe adellijk zijn groot, breed-grootsch voorkomen, en hoe stil en rechtzinnig het gebaar van zijne struische beeldhouwershanden. Hij was dadelijk zeer erg met hem ingenomen. Hij las hem zijn verzen voor, besprak ze met hem, voelde allengs, uitgaande van zijn nieuwen vriend, het gewicht van een ernstiger, zwaarder, humaner leven. Simon Peter redeneerde sober en beeldend. Hij was ouder dan Ernest, rustiger, verdraagzaam. Ze praatten veel over de pas-ontstane revolutionaire beweging, waarbij Peter scheen aangesloten. Beiden toonden zich danig volksgezind. Maar geleidelijk moest bij Ernest de overgang naar het grondiger leven gebeuren. Te veel vraagstukken lagen in de nieuwe toekomst te glanzen. De openbaring maakte hem dronken en met lichtzinnige geestdrift kleefde hij heel de vrije nieuwigheid aan.
In die nieuwigheid was liefde aan het gloeien als een wonderlijk juweel. Hij werd verliefd. Hij werd verliefd op de dochter van een fanatiek-katholiek schrijver, een meisje met ongewone gaven van gelaten, zelf-verloochenend gevoel. Ernest was sterkelijk door haar gemind. Hij stortte zich algeheel in de laaiing. 't Docht hem dat nu de weg beslist voor hem gekozen en open lag. Hij kwam bij zijne moeder aan en zeide dat hij het meisje huwen zou.
Voor het eerst, terwijl hij verlegen sprak tot haar die zweeg en ernstig opkeek, merkte hij hoe oud en hoog-stil zij geworden was. Hij voelde een onbekende angstigheid drukken op zijne borst. Was deze vrouw niet zijne moeder? Hij herkende, op een slag van zijn herwonnen geweten, de vrouw, wier lach eens als een licht hem bedekken kwam en welke hij verloren waande. Het was maar toen hij neerzitten ging en over het tafelberd ineens te weenen begon, dat mevrouw Chanteraine de stilte brak, waarlangs haar zoon tot haar was gekomen. Nog nooit had zij zich tegen een gril, tegen een wil van hem verzet. Nu, met bedaarde, effene bewoording, lei ze tusschen hen beiden de koude verklaring, dat hij met dat meisje niet trouwen mocht. Ze sprak van zijn niet voldoenden ouderdom, van zijne in slempspel versmeten gezondheid, van zijn naam en van zijn toekomst. Lang sprak ze, haar gedachte lengde zich uit over een eentonigen vloed van grijze volzinnen, en bevreesd, beklemd, verwonnen luisterde hij toe. Ze kuste hem en verliet hem. Dagen slierden om, dagen aan dagen. Meer warmte, meer gezelligheid was in huis teruggekomen; maar, gelijk een killig water, bleef liggen tusschen Ernest en zijne moeder haar wil, dat hij niet trouwen mocht. Niet eens steigerde zijn wil daartegen op. Het witte gelaat van mevrouw Chanteraine, met gedachten van leed overladen, benauwde hem, spookte alom de hooge kamers rond. 's Avonds, rechtuitgestrekt op zijn bed, lag hij vaak halfluide te stamelen "of zij nu waarlijk zijne moeder was? ...." Warme geuten schoten naar zijne slapen, waar ze uitdruppelden in plotselijk zweet, en hij schaamde zich. Zoo sleet de tijd.
Op Kerstavond gebeurde die leelijke slag....
Het meisje ging zwanger, had alles aan haar vader bekend, en de vader, wiens dweepzucht en gestrengheid hem niet toelieten een gevallen meisje op te rapen, zette haar aan de deur. Op Kerstavond zei Ernest aan zijne moeder dat het meisje zwanger ging, dat haar vader haar had aan de deur gezet en dat moeder nu eens goed bedenken zou of 't niet raadzaam was dat hij trouwde. Het ernstige gezicht van mevrouw Chanteraine betrok, hare grijze oogen werden rond en groot. Een zonderlinge glimlach krulde hare lippen, binstdat schielijk een rechte rimpel, van weerskanten haren neus, de witte wangen neerwaarts snokte. Dan opende ze haar mond die, een heele poos, gelijk een vierkante gaping, daar somberde. Ze zeeg zachtekens in hare zwarte kleeren thoope op het roode karpet. Men droeg ze in haar kamer. Men riep den dokter, mijnheer du Bessy en pastoor Doening, den ouden vriend van den huize. Als ze weer bekwam, deed ze seffens Ernest roepen en wilde alleen zijn met hem. Toen lachte ze vriendelijk haar zoon tegen en zei dat alles wel goed was en zich zou schikken geleidelijk; hij moest het meisje bij haar brengen, en zij zou haar liefhebben. Ze vroeg dikwijls:
--Heeft zij u lief, mijn jongen?
Hij moest dan maar gauw trouwen. Pastoor Doening zou dat allemaal regelen, en dan zouden ze tezaam in een lief huisje wonen, heel dichtebij, ergens rond den Bloemenhof. Heel dichtebij, hoor! Hij moest dan zijne studiën voleinden en een hoog magistraat worden, zooals vader zaliger. Ze leek zóo ganschelijk gelukkig. Ze huilde stille....
Ernest trouwde. Alles werd aangelegd en besteld zooals 't moeder wilde. Maar moeder kon uit haar bed niet meer.
En moeder stierf.
Waar moeder ligt, op de sombere koets bekleurd met paarse en mauve en wit-violette bloemkransen, in de stilte, die hangt om de hooge kamer en roerloos den roerloozen dood begeleidt, schemert het bevende kaarsenlicht en speelt met verfplekken en donkerten. Over moeder heen speelt het eenderlijk. 't Vloeit bleek uit op moeders matbleek gelaat, scherpt den neus tegen de schaduw, die van den neusrug op de beenderige wang, tot in de dompe oogholten, vlekt. Effen is het blanke voorhoofd, alsof daar nooit een streepken smart was doorgerimpeld, en glad, dof-wit onder de kaars, spannen de kaken over het uitpuilend schedelbeen. Half-ontsloten gaapt de liplooze mond--hebben daar ooit lippen bewogen, heeft daar ooit een kleur langs gelachen, heeft ooit een zinrijk geluid geklonken uit dezen mond, waar rust, zonder einde, de eeuwigheid geluideloos? Een doorzichtig Sineesch netelfloers plooit licht op het donkere haar en vouwt over het kleine hoofdkussen tot langs de wegzinkende schouders. Wit, tot aan het voeteinde toe, is het lijk rechtuit-gelengd in de kiste. Over de borst, dewelke even oprondt, liggen tegaar de witte mooie handen om het wit-ivoren Krist-kruis ....