Tusschen de zwarte kandelaars heen, doet nu Ernest een stap. Zijn knie sliert langs de malsche kronen en zijne handen raken de koude nattigheid van bloemtuilen. Hij schrikt bij het schielijk-veranderd uitzicht van deze dingen--hoe groot worden ineens de koperen knoppen van de kist en hoe klaar-afgeteekend liggen daar moeders handen! Het lichtgespeel verschilt en moeders aangezicht is zoo plots uitgelengd tusschen de plooien van de licht-zijige netelvool. En alweer ziet Ernest hoe hij zelf hier vóor zijn moeder staat, en hij staat recht overeind als een stake. Hij ziet over zijn eigen gelaat de pijnlijke pees, die zijn lippen neerwaarts drukt en tot in de hoeken van zijn oogen trilt. Hij ziet zijne handen langs zijn rouwrok wit nederhangen, en vluggelings schiet door zijn geest de heimelijke vraag of 't zoo passend is en of insgelijks de oude priester het ziet. Hij buigt zich langzaam, plukt in den dikken bloemenhoop witte en teer-roze rozen. Hij zoent de rozen, die geuren en zoet-bedwelmend over zijn mond aanwalmen. Hij legt ze rond moeders hoofd. Traag schikt hij ze, zoekt onwillekeurig de bleeke kleureffekten, brengt daar een zachte schakeering van licht-amber, wit-roze, safraan-roze, wit-geel en blank. Zijne vingeren werken om de natte kelken, mijden de nadering van het kille hoofd, van het jeukend gewaad, en zorgen dat niets beweegt van die witte doening, die versteend rust in den dood. Hij vreest de doode, omdat ze thans bedeeld is met de machten van het onbekende, en hij raadt den vreeselijken toets van dat koude hoofd, zooals hij soms in hollen nacht de spoken voelt, die uit de duisternis een lichaam krijgen. Zijne vingeren leggen tot een losse kroon de rozen om het koude hoofd. Dan, lang, strak, staart hij op het koude aangezicht. Hij verzint, in rappe sprongen van zijn koorts, de eenvormige beelden van zelfverwijt. Hij staart op de doode en zijn koorts klopt door zijn gedachte:
--Sta op! sta op! en kijk naar mij ....
Hij voelt den tijd heel dicht komen bij de gebeurtenis die hij verzint, en hij verwacht zich erop, dat moeders oogen gaan openschuiven en een leven brengen in het wassig gelaat. 't Is àl fantazije. Het is de gebeurlijke straf, maar hij weet wel, dat ze niet zal gebeuren. O, moest moeder nu eens opblikken naar hem en met overweldigende sterkte dringen tot diep binnen hem, daar alles blootleggend wat er zijne oolijke lafheid is--zou hij dan vergaan, verwoest en verdrongen tot in de waarachtige kleinigheid van zijne ziel? Zoo juist weet hij alles wel, maar moeder zal niet opblikken. Bij zwakkelingen komt de vervaarlijke hallucinatie, die den geest op hol brengt. Bij hem zal 't niet gebeuren. Bij hem is 't alles een gewikkeld spel van vizioenaire gissingen, die leuteren buiten het bereik der logische werkelijkheid. Maar 't is toch een kant van zijn waarlijk verdriet, en het hijgt mede met het lijdelijk slaan dat door zijne slapen dreunt. Dan komt de wanhoop, omdat alles onherstelbaar is. Dan herziet hij de moeder van vroeger, de lieve mevrouw Verlat, zoo keurig en zindelijk voorkomend uit de verte van den verleden tijd en buigend, met zoenen op haar mond, over de blonde hoofden van Ernest en Francine. Dan herziet hij de heerlijke mevrouw Chanteraine, de onverschillige pracht, die glansde langs hare mooie lenigheid, de verschillige weelde van hare vele toiletten, den sekuren blos die den lonk van oogen opwakkerde en de blankheid der keel verteederde, de uitmuntende mevrouw Chanteraine, zoo zwierig werkzaam met lachjes en voorname salutatiën in 't gewoel van blikkerende onthaalsalons. Dan nog herziet hij de allerlaatste rouwfiguur, het bleeke ernstige gezicht boven het effen-zwart kleed, den gulzigen mond, snakkend naar stille kinderliefde, de oogen die volgden en zochten, beangstigd, bezorgd, begaafd, in moederangst, met wonderbare verduldigheid. Zoo was moeder, zoo, eindelijk, de moeder veropenbaard. Naastbij geuren, flauw, de bloemranken, de tombe van geurende bloemen, en iets ongemeens, dat opwolkt bij poozen, precies uit de donkerheid van het staatsiebed. Er dibbert een nieuwe geut naar Ernest's wangen en tot op zijne oogleden stijgt de vlugge heetigheid. Maar hij kan niet weenen, al kittelt de goede aandoening in zijn neus. 't Slaat aldoor zijn schedel binnen, als een geweld van hamerschokken:
--O moeder, ik heb u niet bij wete zeer gedaan ....
En seffens weet hij niet meer of hij zich nog houdt gelijk hij moet. Hij kan die bezorgdheid niet wegdringen uit hem, en gedurig neemt hij zijn minste gebaar in acht, wil al zijn doen op de maat brengen van zijn groot leed. Hij is bij oogenblikken geheel vol met die bijzonderlijke aandacht, en dan zou hij wel gaarne zijlings omkijken naar pastoor Doening, den ouden priester, die roerloos zit en bidt. Hij durft niet omkijken, verlegen wegens de reden, die hem omkijken doet. Hij voelt wel dat hij niet enkelvoudig en gemakkelijk kan omkijken, en hij vreest den blik, die tegen zijn blik mocht stooten en raden de dubbelzinnigheid. Toch, en al meteen, kijkt hij om.
De oude priester bukt onbeweeglijk over de leuning van zijn stoel. Zijn grijze hoofd buigt ver over de leuning juist boven den bleeken glans van zijne saamgevouwen handen. Zeker heeft hij geen enkele maal zijn gelaat geheven naar het kaarsenlicht en tusschen zijne zwarte schouders hangt het nederig grijze hoofd, gelijk een zwaar gebed. Ernest voelt de droefenis die op den ouden priester weegt, en voelt tegelijk hoe diep zijne moeder door elkendeen vereerd werd en bemind. 't Jaagt een versche aandoening op in hem en grooter nog lijkt hem het verlies, dat hij heeft aan zijn doode moeder. Zou, geheel en volledig, het leed van den ouden priester rechtzinnig zijn? Is het dan mogelijk dat men zich, gelaten en gansch, aan éene aandoening kan overgeven, zoodanig dat het gemoed en den geest meegaan zonder hindernis en geheel het wezen in éene richting wordt bestierd? Hij denkt daaraan, terwijl hij algelijk bewust is dat zijn wee niet uitsluitelijk meester wordt van hem, en dat er ievers, boven zijn zinnen, wakende loert het toezicht van zijne kleine ziel.
II.
DE DOOD VAN MEVROUW CHANTERAINE
(Vervolg).
Dien morgen sloeg leutig de gulden meizon tegen de ruiten van Francine's kamer. Ze tokkelde, als een regen van licht, tegen de ruiten. Ze druppelde de groenzijden gordijnen langs, dibberde over de zware franje en, waar 't kon, vlaagde binnen klabetterend. Zoo viel ze op het kleine tafeltje Louis XV, juist te midden op het rood marmeren tafelberd, pletste verder open langs de witte vacht, vóor 't mahoniehouten bed, kroop hooger op, tegen 't bed aan, totdat ze daar, tusschen de plooien van een blauw-satijnen bovensargie, over een lieve roze hand kwam streelen. Al de rest van de vierkante kamer was nog met blauw-grijze schemering omdaan. Heel lui en lauw was de kamer, zwaar van 't warme ademleven, hetwelk als een wiegelende zwoelte in de lucht hing.
De roze hand roerde nu even. De vingertjes krulden eens dicht toe, bijeen en toen langzaam weer uit elkaar, zoodat ze eindelijk, stil als te voren, gelijk wonderlijke spoelen schoon lagen op het blauwe satijn. Daarbinst zwol de gansche sargie, herrok hare plooien, en een zucht voer lang en luidelijk op, boven het witte hoofdkussen.
Te midden van het witte hoofdkussen rustte, zacht ademend opnieuw, het kleine hoofd, zacht in de schaduw en omlokt met de gouden gloeiing van geel-gulden haar. De gesloten oogen, het kleine neusje en de kin, 't kleurde altegare effen uit met de wangen en het roommatte voorhoofd. 't Was niet te merken dat, van weerskanten, iets, als een bleeke blos, in de bleeke verve levendig werd, maar de mond, met zijn kersen-blonk, blekte zeer voornaam, malsch en versch en uitmuntend. De lippen waren niet geheel dicht, en het leven luwde er zoetekens over.
Nog bewoog die helverlichte hand. De bloote arm, die precies van tusschen het zware haargoud was heengedrongen, herroerde op de zijige bedekking. 't Was alsof nu Francine ontwaken zou. Een nieuwe zucht blies ruischend boven haar rooden mond en vluggelings trilden hare wimpers. Ze ontwaakte toch algelijk niet seffens, want hare oogen bleven gesloten en de zon aaide weer rustig op hare roze hand. Geleidelijk kwam haar bemeesteren de leelijke onrust van deze laatste dagen, en 't gebeurde zoo 's ochtends, dat ze, nog slapende, reeds de angst voelde naderen, die zich te nacht verwijderd had.
Ze ontwaakte met een schok. Wijd-open rondden hare groene oogen en staarden onbeweeglijk rechtop naar de zoldering ....
Zoo bleef ze een poos. Zoo lag ze te glariën, verwijlend in een verte, waar ze niets wist en niets herkende. Dan, terwijl ze zich overeind zette en haar los haar met een rappe beweging naar achter smeet, tuurde ze verwonderd de kamer rond. Hare hand, waar ze gansch op leunde, drukte dieper in het beddedons, en haar hoofdje zeeg traag zijdewaarts, op haar naakten schouder. Nog gleden hare groene blikken, van de vergulde versiersels der zoldering allangs de met dof-geel brokaat behangen muren, lager over het klein marmeren toiletgerief tot op het oranje tapijt met zijn bleek-karmijnen bloemen. Toen vloeide alles saam in een plotselinge nattigheid en ze begon halfluide te snikken. Haar hoofd schokte bij elk geweld van haar boezem en de lichte kant die op haar borst rond blauwe snoerkens thoopfrommelde, rok rap uit iedermaal. Dieper drong in het kussen de tengere hand en dieper, al schokkend, zakte het hoofd. Op mekaar stapelden zich de dikke haarlokken en zwaarder werd de rijkdom van het haargoud. De arm plooide eindelijk en het gezichtje zeeg voorover, weg in dat overvloedig goud. En Francine weende aldoor, gelaten in weldadigen tranenvloed. Het lauwe leven, dat straks stille en matelijk door de zoele kamerlucht asemde, was thans beroerd en overrompeld.