Als ze weer recht kroop, was heel rood heur aangezicht en glom het nat uit rond de oogen, welke nog baadden in de sterke aandoening. Ze nam, achter het kussen, het zijden doekje met lavendelwater, dat zij er 's avonds had weggestopt, en vaagde daarmede alover haar voorhoofd, hare wimpers en haar mond, binstwijl stille de opfrisschende geur snuivend die walmde als een goed windje. De geur schoot, docht het haar, tot binnen in hare hersens, zoodat hare kleine gedachtjes nevenseen zeer duidelijk te voorschijn opwipten, gelijk soms in ochtendheesters, wanneer 't gewaai van zonnelicht den nevel verdrijft, schoon zichtbaar de verscheidene vogeltjes joepen, elk naar eigen gedoe ....
En ze dacht het eerst, op die manier, aan Simon Peter. Ze rok zich uit, liet zich achterover zinken op hare ellebogen, lengde hare beenen buiten de sargie en gleed zoo langs den malschen bedderug tot op de witte groote vacht. Daar stonden, naast mekaar, hare kleine poppevoetjes op de witte vacht. Ze leunde nog tegen het bed. Haar wit lichte hemdje viel in rechte plooien nederwaarts, gansch wit waar het haar lichaam niet raakte, en bleek koraal-rozig doorglanzend op den klein-dubbelen boezem, op de heupen, op de beenen. Ze hief tegelijk hare armen op en pakte, in twee mooie wrongen, het mooie haar boven op haar hoofd samen. Maar het bleef daar niet thoopegeleid: 't zeeg van de zwaarte tot in haar hals, waar 't gulden en gewichtig massief rusten bleef.
Onderwijl dacht ze aan Simon Peter. Ze zag waarlijk zijn groote struische gestalte, zijn bleek gelaat vol ernst en gepeinzen, zijne zwarte oogen die zoo lang op haar konden staren en haar omdoen met de goedheid die er uitstraalde onverpoosd. Ze zag dat wit gelaat met den grooten zwarten baard en den forschen arendsneus erboven, zijn blanke voorhoofd, marmerhard en fijn-gebult. Zij dacht waarlijk aan hem, omdat hij zoo kalm-sterk was, zoo groot en edel-denkend, terwijl zij zelve zoo klein en kinderachtig deed en zoo luttele gedachtekens liet opflappen. Op die wijze, elke ochtends en veel overdag, dacht zij aan hem. Hij was een machtiger broeder dan Ernest en hij had breeder schouders om op te rusten. Nu dat moeder gestorven was, bleef Simon als een schoone steun.
Ze trok hare kousen aan, stak hare voetjes in de roode muilslofjes, die daar veerdig stonden, en pantoffelde korttrippelend naar de toilettafel. Ze kwam vóór den hoogen spiegel staan en zag, in een rap zicht over haar gansche lijf, hoe ze in 't blauwe kamerlicht oprankte blank en blond en blozend tallenkant. Naast den spiegel, aan een koperen knop hing het grijze morgenjapon, beverfd met kleine groene en violette bloempjes, die door mekaar in het dichte gevouw wegschoven. Ze wierp het lichte japon om hare schouders en 't golfde breed uit, woei rond haar leên en ruischte langzaam tot het met rustige bloempjes eindelijk nederhing. Toen schelde ze voor Mariëtte, de kamermeid.
Mariëtte kwam rap en gedienstig en hielp Francine in haar opschik. Ze was zeer handig en beweeglijk. Omdat ze merkte dat Francine geweend had, begon ze een vlug getater vol vriendelijkheid.
--Heeft mejuffrouw goed geslapen? .... O! Het is buiten zoo'n mooi weer. Kijk maar naar 't venster, mejuffer. Echt lenteweer. Wil ik de gordijn wegpakken?
--Ga uw gang, Mariëtte .... ik heb zoo'n hoofdpijn ..... Och!
't Groote ongeluk, dat moeder dood was, viel over haar, en ze zeide nu dat ze hoofdpijn voelde om te toonen dat ze gevoelig was. Ze boog sierlijk haar hoofdje, terwijl Mariëtte heur haar ontvlocht, en ze zweeg, als in een droom luisterend naar het gebabbel van de kamermeid. Ze begreep dat Mariëtte zoo dol doorpraatte uit gedienstigheid en om den akeligen dag met lichte figuurkens in te leiden. Maar ze schaamde zich erover, dat ze mocht beïnvloed worden en zich verwijderen van haar smart. Ze zweeg maar, en mijmerde, bleef lang uitkijken naar 't volle zonnelicht, dat met vrije geuten binnenviel. Ze voelde 't ijverig vingerenwerk van Mariëtte om haar, dat gejeuk op haar hoofd, 't kittelend gefleer van handen in roerende haren. 't Maakte haar stil en lui. Ze dacht alweer aan Simon Peter ....
Vóór ze haar keurslijf aanreeg, bracht Mariëtte de dampende chocolade en de beschuitjes met zeem. Ze bracht het op een breed Japansch draagbord, zwart-verlakt en bebloemd met aardige versiersels, goud-bespikkeld en opgelicht met klare verven. De witte dampende chocoladepot, het honingvaatje, het bordje met beschuiten, het broze tasje en 't zilverwerk, 't leuterde er fraai te midden, onder de volle straling der zon. Terwijl Mariëtte zwijgend om de kamer ijverde en alles nog te pas schikte voor verder gebruik, schoof Francine een lagen stoel bij tafel, wierp er een licht kussen op en zette zich te ontbijten. Ze schonk zonder aandacht den geurenden drank, die uitwalmde de gansche kamer door en de kamerlauwte ging verdikken. Ze liet de witte suikerkorreltjes er in regenen en al smeltend weer tot schuim opborrelen. Ze brak de droge beschuitjes, streek met het ronde smeermesje den gelen zeem erover en snuisterde traagbekkend eraan. Snoezig hief ze hare lippen boven hare tanden naar voren, om ze in de zoetigheid niet te bemorsen. Ze dronk met kleine slokjes. Het kopje tikte kort, als zij 't op het porseleinen bord nederzette. Dan speelde ze met het zilveren lepeltje, klonk het tegen het witte tasje of deed het in evenwicht wiegen op haar duim.
--Wel, zei ze zuchtend, is mevrouw Verlat reeds op?
--Ja zeker, juffrouw, ze heeft het al zeer druk gehad dezen morgen, maar mijnheer Peter helpt haar goed. Mijnheer Peter is zeer vroeg aangekomen, juffrouw.
--O zoo! ....
Het lepeltje wiegelde op haar duim. Op het kristallen honingvaatje blikkerde de zon. Francine smakte langzaam, dronk nog eens, bracht hare roode lippen saam, thoopegefronst en gedrongen tot een klein rond mondje. Toen zonk ze achterover tegen de leuning, in het lichte kussen. Het zilveren lepeltje viel.
--Kijk eens, Mariëtte, vroeg ze, houdt ge niet waarlijk van deze kamer?
--Het is een mooie lieve kamer, mejuffrouw.
--Ja wel, eene lieve kamer .... maar mijne echte, breedere kamer, ginds thuis, daar houd ik meer van .... Och, Mariëtte, roep toch even Vere boven, zeg aan Mevrouw Verlat .... roep mevrouw Verlat .... het is hier niet om uit te houden!
De deur klonk achter Mariëtte dicht. Francine stond schielijk recht en schelde.
--Neen, zei ze somber, als Mariëtte de deur openstiet, ga maar liefst niet .... 't Is gekheid. Ze zou gaan denken dat ik ziek ben. Ik zal zelf wel beneden gaan.
Dan stiller en vriendelijk, zich nederzettend:
--Zie ik er ziekelijk uit, Mariëtte?
Mariëtte meende van neen. Een beetje koortsig, korzelig en gejaagd, meende ze.
--O ik ben niet wel, Mariëtte, dat zal Vere wel merken. Mijne oogen zijn betraand en gezwollen, niet waar? Mijn hoofd gloeit en klopt. Kunt ge dat alles niet zien toch, Mariëtte?
--Haast niet, juffrouw, haast heelemaal niet, ik verzeker u.
Francine brak beschuitjes en kruimelde ze over de rood-bestippelde servet. Daarbinst nam Mariëtte de muilslofjes weg en bracht schoenen met hooge hakken. Op een laag bankje rustten Francine's kleine voetjes. Mariëtte knoopte de spannende schoenen toe. 't Sloeg negen uren beneden, op de groote klok van het vestibule.
--Hemel! hoe rap gaat de tijd! .... Wat zou Ernest nu doen? Heeft hij dan heel den nacht ginder doorgebracht, Mariëtte?
--Ik geloof ja, juffrouw ....
--Dat is toch akelig, niet waar, Mariëtte? .... O! het is een groot ongeluk!
Terwijl Mariëtte haar dat zwarte rouwkleed aantrok, sprak ze niet. Ze had een ernstig gezichtje. Hare groene oogen keken ernstig rechtuit, maar rozig waren haar wangen en haar mond bleef rood van frisch en overdadig leven. Het kleed somberde om haar, gewichtig en zwaar. Het deed nog feller opgloeien het goud van heur massieve haar, en haar gelaat blonk klein en liefelijk uit, in blanke mooiheid en doorzichtige blosjes daar langs. Bleek hingen, als bloemen, haar fijne handen tegen het zwarte kleed.
Ze ging vóor den grooten spiegel staan, keerde zich half rechts om, dan links, deed de plooien in den rok uitrekken of breken, boog haar leên en hief haren arm. Ze lei een dubbele rang doffe gitparelen rond haren hals. Ze wendde zich naar Mariëtte:
--Ik dank u--laat me alleen ....
Nog stond ze vóor den spiegel. De zon kaatste achter haar tegen het gele brokaat van het muurbehangsel. Ze mompelde:
--Hoe bar zie ik er uit!
Ze nam uit een lade van de toilettafel een nieuw-zijden zakdoekje met zwarte bolletjes op de randen, goot er een paar druppels reukwater op en verliet de kamer. Op de trap moest ze zich bedenken of ze alles bijhad en alles in orde was. Ze dacht nog eens vluggelings aan haar geldtasje, haar poeierdoosje, haar pennemesje, haar drie kleine sleuteltjes, haar zakdoekje .... Ze dacht even aan Simon Peter, alsof hij daarbij hoorde. Ze had wel alles bij, en rustig gleed ze de trap af in 't breede geruisch van haar nieuw kleed.
Ze vond hare schoonzuster in de verandah. Vere keek op, als ze Francine's lichten stap hoorde kloppen op het houten parket. Haar bleek-ovale gezicht met de diepe blauwe oogen kwam juist opsteken in een smalle zonnestreep, die verder tegen den wand op het ebbenhouten étagère een onyxen naakt-figuurtje zeer zonderling en bijna alleen te beglanzen lag. Het naakt-figuurtje glom en al de rest vaagde weg in ondergeschikte kleurenspeling: de groene muur met oker-bruine friezen, de vele schilderijen daarop, bronzen beeldhouwwerk op het schouwblad, de zwaar-groene meubileering, 't verdoezelde tot eene traag-levende grijsheid. Hoofdzakelijk en met een zonnestraal bekletst glom het naakt-figuurtje van onyx. Dat was aardig. Eronder blikte het stille gelaat van Vere, vermoeid en te bleek. Stil glimlachte Vere's gelaat: