§ 3. Etiketten.
In den regel is het wenschelijk zoowel bij grootere als kleinere tochten de verzamelde planten een doorloopend nummer te geven.
Worden op eenzelfde plaats meerdere exemplaren van dezelfde soort verzameld, dan krijgen al die exemplaren hetzelfde nummer; verzamelt men echter op verschillende plaatsen, dan moet men noodzakelijk telkens een ander nummer geven.
Dit nummeren geschiedt het best op de volgende wijze. Men laat stukjes stevig, dun karton snijden op de maat 2 × 3 c.M. en maakt daaraan door een gaatje een dubbel touwtje vast, dat men aan de einden samenknoopt. Door het etiket door de lus te steken kan men de stukjes karton aan de plant gemakkelijk bevestigen. Op dit karton schrijft men met zacht potlood het nummer; inkt is niet geschikt, omdat dit in de alcohol kan verdwijnen.
Het nummeren alleen is echter niet voldoende en zelfs hebben planten met een nummer alleen absoluut geen waarde. Behalve dat moet aangegeven worden:
1o. De standplaats van de plant:
a. de geografische ligging van de plaats. b. aard van de plaats (droog, vochtig, zonnig, beschaduwd, humusachtig, rotsachtig, steenachtig, epiphytisch, parasitisch, zoetwater, brak water, zeewater, etc.). c. Geologische gesteldheid van den bodem (kalk, graniet, zandsteen, etc.). d. Hoogte van de plaats boven zee.
2o. Wijze van voorkomen.
a. In welke omgeving (oerwoud, savanne, rivieroever, langs wegen, etc.). b. Wijze van voorkomen (in groepen, afzonderlijk, algemeen, zeldzaam, gekultiveerd enz.).
3o. Datum van verzamelen.
4o. Alle eigenschappen van de levende plant, die aan het gedroogde exemplaar niet meer kunnen waargenomen worden.
a. Wijze van groeien (Boom, diens grootte, omtrek, kleur en vorm van de schors, vorm van de kroon, struik, klimplant, woekerplant, epiphyt, kruid, etc.). b. Kleur van de bloemen, kleur en smaak van de vruchten. c. Reuk, smaak, melksap en andere dergelijke eigenschappen.
5o. Gebruik (nut en schade, etc.).
6o. Volksnamen.
7o. Naam van den verzamelaar.
Hoe vollediger zulk een etiket is, des te meer waarde hebben de verzamelde exemplaren. De dikgedrukte aanwijzingen moeten beslist opgegeven worden, de niet-dikgedrukte kunnen desnoods achterwege blijven, b.v. wanneer men zeer weinig tijd heeft, doch zijn niettemin zeer wenschelijk.
Het gemakkelijkst is het, etiketten te laten drukken, waarop reeds enkele woorden voorkomen, zoodat men slechts de voorkomende eigenschap heeft aan te strepen en de rest in te vullen, b.v.:
============================================================================ No. 152 | Datum | Phot. No. ============================================================================ Naam. | Botanisch. | Inlandsch. ============================================================================ Vindplaats. { Oerwoud. | Savanna. | Moeras. | Oeverveget. | Zilteveget. { -------------------------------------------------------------- { Hoogte b.z. | Grondsoort. ============================================================================ Habitus. { Boom. | Heester. | Kruid. | Liaan. | Klimplant. | Epiphyt. { -------------------------------------------------------------- { Afmeting. ============================================================================ Bloembeschrijving. { ============================================================================ Vrucht. { ============================================================================ Vegetat. { Doornen. | Olieklieren. | Melksap. | Vorm van wortels. deelen { Kleur v. Blad. | Kleur v. Stam. | ============================================================================ Gebruik. { ============================================================================ Andere { bijzonderheden. { ============================================================================ Verzameld door:
============================================================================
De etiketten laat men nummeren en in boekjes van b.v. 100 stuks bij elkaar inbinden. Men geeft de plant natuurlijk het nummer, dat overeenkomt met het nummer van het etiket, en zendt de ingevulde boekjes later met de verzamelde planten (doch niet in de bussen!) op.
De methode Schweinfurth heeft verder nog het voordeel, dat men zeer weinig plantendeelen afzonderlijk in spiritus behoeft te bewaren. Zoo kunnen vruchten, wanneer ze tenminste niet al te groot zijn, met de plant tusschen het papier gelegd worden. Ook bloemen worden zóó weinig platgedrukt, dat ze voor onderzoek even geschikt zijn, alsof ze direct in een buisje met alcohol gelegd waren. Wil de ontvanger ze in alcohol bewaren, dan kan hij dat doen, zoodra hij het blik openmaakt.
Vele orchideeën maken hierop eene uitzondering; hunne bloemen zijn vaak groot en zeer bros, zoodat ze tusschen het papier hun vorm verliezen. Men doet daarom beter ze in glazen buizen in spiritus te conserveeren. Deze spiritus mag echter niet sterker zijn dan ± 60 %, omdat anders de bloemen hard worden en door schudden bij het vervoer zeer gemakkelijk breken. De glazen buizen sluit men met een kurk en daarna met flesschenlak of met paraffine en verzendt ze met papier omwikkeld in kistjes, die aangevuld zijn met houtwol, boekweitdoppen of dergelijk materiaal. Natuurlijk kan men allerlei vruchten of bloemen, die bij de planten behooren, op deze wijze verzamelen, doch noodzakelijk is het in den regel niet. Soms kan men ook eenige buizen bij de planten in het blik insluiten.
Zeer geschikt kan men bloemen en groote vruchten ook in inmaakbussen bewaren. Z.g. olifantsbussen, die met metalen klemmen en gummi-ring gesloten worden, leenen zich uitstekend voor dit doel, en zijn ook zeer bruikbaar voor het meenemen van kleinere hoeveelheden alcohol.
§ 4. Speciale aanwijzingen bij het verzamelen van lagere planten en sommige families van de hoogere planten.
Paddenstoelen en schimmels, conserveert men het best in een formaline-oplossing van 4 % (d. i. 10 deelen van de 40 % oplossing, die in den handel is, op 90 deelen water). Door ieder exemplaar in een stukje katoen of neteldoek te verpakken, waarbinnen men het etiket opbergt, dat de vindplaats, de kleur, enz. van de levende plant aangeeft, kan men een aantal paddenstoelen-soorten in een blik, pot of glazen buis bewaren. Paddestoelen planten zich voort door sporen, wier kleur bij de determinatie van belang is; om deze kleur te weten te komen legt men de paddestoel gedurende een dag op een stuk papier in een kamer; den volgenden dag zal men rondom de paddestoel (indien deze althans voldoende rijp was) verschillend gekleurde stofwolkjes vinden; dat zijn de sporen, de kleur ervan vermelde men op het etiket.
Zoetwaterwieren. Deze hebben doorgaans de vorm van draden, geleibolletjes of groene vliezen, en drijven of zijn aan verschillende voorwerpen vastgehecht. Men kan ze verzamelen in glazen buizen of in zakjes van geolied papier; thuis worden ze in een bak met water gebracht en eenigszins uitgespreid; daarnaast plaatst men een tweede bak met schoon water, waarin men een stevig stuk papier onderdompelt. Men neemt nu een exemplaar uit den eersten bak en brengt die met behulp van een pincet in de tweede bak over boven het papier; zoodra het wier goed uitgespreid is, schuift men het papier met het wier erop voorzichtig uit het water, laat het overtollige water eraf loopen en droogt het geheel op filtreerpapier (natuurlijk niet tusschen filtreerpapier, daar het wier dan loslaat).
Een gemakkelijker methode is de volgende:
Men brengt het wier over naar een fleschje of buisje met water en voegt er op het oog bij 10 % van een oplossing die bevat:
Chroomzuur 30 gram IJsazijn 30 ,, Water 1000 ,,
Daarmede is de conservatie afgeloopen; de fleschjes worden gekurkt verzonden.
Korstmossen komen op den grond, op steenen of op boomen voor. Ze worden in de zon gedroogd en vervolgens in kleine zakjes verpakt. Natuurlijk kan men ze ook volgens de methode Schweinfurth conserveeren.
Mossen en levermossen moeten zooveel mogelijk verzameld worden in sporendragenden toestand. Deze sporendragers vindt men in den regel als gesteelde kapseltjes op de plant zitten. Mossen vindt men in groote hoeveelheden op boomstammen en vochtig hout, ook op den grond, op steenen enz. De zoden die men op den grond vindt snijdt men af en verwijdert zooveel mogelijk de aarde; snijdt de zoden daarna in overlangsche platte stukken en doet ze in papieren zakjes; deze kan men drogen of langs de methode Schweinfurth conserveeren.
Varens worden op dezelfde wijze verzameld als bloeiende planten; men lette erop dat ze sporen dragen, die men meest aan de achterzijde van de bladeren als bruine, vaak door een schubje overdekte hoopjes vindt. Van belang is het dat men een deel van den stengel of den wortelstok mede verzamelt, daar bij de determinatie van veel belang is de wijze waarop de bladsteel aan den stengel bevestigd is. Men snijde dus de bladeren niet af.
Palmen. Het zal in den regel onmogelijk blijken om het blad in zijn geheel te verzamelen. Men snijde daarom de bladbasis en de bladtop af en legge die tusschen papier, terwijl men op het etiket de afmeting van het geheele blad vermeldt en het aantal paren segmenten opgeeft. Het is van veel belang een geheele bloeikolf of een vruchtdragende kolf te verzamelen, waarbij men vooral de inhullende scheede of scheeden niet mag verwijderen. Kan men de geheele kolf niet verzamelen, dan beware men tenminste een paar vruchten en de scheeden.