DETERMINATIETABEL VOOR DE FAMILIES DER VAATKRYPTOGAMEN (PTERIDOPHYTA) EN DER PHANEROGAMEN.
1a. Planten zonder ware bloemen, met sporen. Pteridophyta 2
1b. Planten met ware bloemen. Phanerogamae 13
2a. Losdrijvende waterplanten, met kleine, niet ingesneden bladeren. Sporangiën in het water rijp wordend VII. Salviniaceae.
2b. Landplanten, epiphyten, of in den bodem wortelende waterplanten 3
3a. Groene bladeren klein, schub- of naaldvormig, ongesteeld, den bovenaardschen stengel dicht bedekkend; sporangiën alleenstaand in de bladoksels 4
3b. Groene bladeren groot, ongedeeld of gedeeld of samengesteld, meest gesteeld, op vrij grooten afstand van elkaar staand aan den boven- of onderaardschen stengel 5
4a. Bladeren alle gelijk van vorm of de bovenste wat kleiner of grooter, niet in rijen geplaatst; sporangiën en sporen alle gelijk van vorm en grootte X. Lycopodiaceae.
4b. Bladeren in eenige (meest 4) rijen langs den stengel; rijen onderling verschillend wat de bladvorm aangaat; sporangiën en sporen in twee vormen voorkomend XI. Selaginellaceae.
5a. Sporangiën het bovendeel van een aparte zijtak van den bladsteel geheel innemend 6
5b. Sporangiën aan de onderzijde of aan de randen van de bladeren 7
6a. Sporangiën in twee rijen aan den sporangiëndrager; bladeren niet ingesneden IX. Ophioglossaceae.
6b. Sporangiëndrager sterk pluimvormig vertakt; bladeren gevind VI. Schizaeaceae.
7a. Sporangiën niet tot sori vereenigd, op de onderzijde aan de vindeelige tot gevinde bladeren langs de nerven verspreid; planten op zeer vochtige plaatsen of in het water groeiend IV. Parkeriaceae.
7b. Epiphyten of landplanten; sporangiën in sori, soms de geheele bladonderzijde dicht bedekkend of randstandig 8
8a. Planten met rechtopstaande stammen; min of meer boomachtig; bladeren éénmaal tot viermaal gevind. Ring om het sporangium niet onderbroken, scheef, bijna verticaal staande II. Cyatheaceae.
8b. Stammen niet boomvormig; ring onderbroken of niet, maar dan bijna horizontaal 9
9a. Sori vereenigd tot lijnvormige groepen (synangiën) die van de middennerf naar de bladrand loopen en met poriën openspringen. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig VIII. Marattiaceae.
9b. Sori niet tot synangiën vereenigd 10
10a. Sori geheel randstandig op een draadvormige voortzetting van een buiten den bladrand uitstekende nerf; sorus omhuld door een bekervormig, vaak 2-lobbig indusium I. Hymenophyllaceae.
10b. Sporangiën op de onderzijde of op de randen der bladeren zittend; in geen geval op een buiten den bladrand uitstekende nerf 11
11a. Bladeren tenminste ten deele gaffelvormig vertakt, de segmenten vindeelig; sori onder op de bladeren, bestaande uit 2 tot 8 ongesteelde sporangiën zonder indusium V. Gleicheniaceae.
11b. Bladeren nooit gaffelvormig vertakt 12
12a. Sporangiën òf gezeten op smalle slippen van den bladrand, òf een scherp afgescheiden deel van den top der lijn- of steelvormige of waaiervormig-gedeelde bladeren innemend; ring als een deksel den geheelen top van het sporangium bedekkend VI. Schizaeaceae.
12b. Sporangiën in sori op de onderzijde van de bladeren, soms randstandig, of de bladonderzijde geheel of ten deele dicht bekleedend; ring onderbroken, verticaal staande III. Polypodiaceae.
13a. Losdrijvende of vastzittende waterplanten met ondergedoken of drijvende bladeren; bladeren nooit met bladschijf of bladsteel boven water uitstekend 14
13b. Landplanten of epiphyten, zelden waterplanten, maar dan de bladeren boven de waterspiegel uitstekend 24
14a. Kleine drijvende waterplanten met eenslachtige bloemen, waarvan de mannelijke uit één meeldraad en de vrouwelijke uit een vruchtbeginsel bestaan 24. Lemnaceae.
14b. Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon 15
15a. Planten in stroomversnellingen groeiend; bloemdek bestaande uit weinige tot vele kleine schubben; meeldraden één tot vele; vruchtbeginsel met 2 korte stempels 113. Podostemaceae.
15b. Planten in stilstaand of langzaam-stroomend water groeiend 16
16a. Bloemen klein, in gesteelde hoofdjes langs den stengel verspreid, door een gemeenschappelijk omwindsel omgeven; eenslachtig met 3-tallige bloemen. Bladeren smal 30. Eriocaulaceae.
16b. Bloemen niet in hoofdjes 17
17a. Bladeren cirkelrond, drijvend, bloembladeren en meeldraden talrijk 88. Nymphaeaceae.
17b. Bloemkroon vergroeidbladig of uit hoogstens 6 losse bladeren bestaand 18
18a. Kelkbladeren 2, bloemkroon 2-lippig, meeldraden 2; bladeren vaak fijn gedeeld met kleine blaasjes 264. Lentibulariaceae.
18b. Bloemdek of bloemkroon regelmatig, of niet duidelijk 2-lippig 19
19a. Bloemen 5-tallig, meeldraden 5, vruchtbeginsel 1-hokkig; bladeren aan den voet ingesneden, overigens rond 246. Gentianaceae.
19b. Bloemen 3-tallig 20
20a. Ondergedoken bladeren sterk gedeeld met bijna draadvormige slippen; drijvende bladeren cirkelrond; kelkbladeren en bloembladeren 3; vruchtbeginsels 1-3 88. Nymphaeaceae.
20b. Bladeren niet fijn verdeeld 21
21a. Bloemen éénslachtig, vruchtbeginsel 1-hokkig, onderstandig 17. Hydrocharitaceae.
21b. Bloemen tweeslachtig; vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig 22
22a. Vruchtbeginsel 1, meeldraden 6, bloemdek vergroeid, trechtervormig met 6 slippen, een weinig zygomorf 34. Pontederiaceae.
22b. Vruchtbeginsels meer dan 1, kelk en bloemkroon aanwezig, de laatste losbladig 23
23a. Vruchtbeginsels meestal 6; binnenste meeldraden ongeveer 20, met stuifmeel, daaromheen nog ± 20 staminodiën 16. Butomaceae.
23b. Vruchtbeginsels talrijk, soms ook alleen mnl. bloemen aanwezig, meeldraden 9-12 15. Alismataceae.
24a. Planten met ranken aan stengels of bladeren 25
24b. Planten zonder ranken, hoogstens met korte haken 32
25a. Bloemkroon zygomorf, trechter-, klok-, of trompetvormig met 4 meeldraden; vruchtbeginsel 2-hokkig; bladeren samengesteld 258. Bignoniaceae.
25b. Bloemkroon regelmatig of weinig zygomorf, in het laatste geval losbladig 26
26a. Bloemen 5-tallig; meeldraden 5, met het vruchtbeginsel op een steeltje in het midden van de bloem gezeten, stijlen 3, bloembodem met aanhangselen 203. Passifloraceae.
26b. Vruchtbeginsel en meeldraden niet op een steel gezeten 27
27a. Kelk en bloemkroon klok- tot buisvormig vergroeid; bloemen éénslachtig, de mnl. met 2 of 3 meeldraden, de vrl. met een onderstandig vruchtbeginsel 275. Cucurbitaceae.
27b. Kelk niet met de bloemkroon tot een buis vergroeid 28
28a. Alle bloemdekbladeren gelijk van vorm; bloemen 6-tallig, eenslachtig; klein; de mnl. met 6 meeldraden, de vrl. met een bovenstandig vruchtbeginsel en 3-6 steriele meeldraden 38. Liliaceae.
28b. Kelk en bloemkroon aanwezig of niet, in het laatste geval de 3 buitenste bloemdekbladeren grooter dan de 2 of 3 binnenste 29
29a. Buitenste krans van bloemdekbladeren 3-tallig, groot, gekleurd; meeldraden 7-9, aan den basis een weinig vergroeid; vruchtbeginsel met 3 korte stijlen 77. Polygonaceae.
29b. Kelk kleiner dan de bloemkroon, niet 3-tallig 30
30a. Bloemkroon buis- tot trechtervormig; meeldraden 5 op den bloemkroon ingehecht 245. Loganiaceae.
30b. Bloemkroon losbladig, of alleen aan de basis een weinig vergroeid 31
31a. Bloemen 4-tallig, klein, met 4 meeldraden die voor de bloembladeren staan; kelk klein, bekervormig, gelobd of komvormig 170. Vitaceae.
31b. Bloemen 5-tallig met 5 meeldraden, die voor de bloembladeren staan; kelk losbladig; bladeren enkelvoudig, ongedeeld 169. Rhamnaceae.
31c. Bloemen 4 of 5-tallig, meest een weinig zygomorf; meeldraden 8; bladeren samengesteld 165. Sapindaceae.
32a. Bloeiwijze bestaande uit een bloeikolf met één of meerdere scheeden aan den voet; soms is de kolf aan de scheede vastgegroeid of zeer klein, in het laatste geval is de plant een losdrijvende waterplant 33