32b. Bloeiwijze niet een kolf of indien het een kolf schijnt, dan zit aan den voet geen scheede 34
33a. Bladeren min of meer leerachtig met overlangsche plooien tusschen de nerven, meest gedeeld, zelden smal en ongedeeld; bloemen eenhuizig, regelmatig over de kolf verdeeld; scheeden meer dan één 22. Cyclanthaceae.
33b. Bladeren meest dun en sappig, niet geplooid netaderig; kolf met slechts één scheede aan de voet, soms zeer klein (kleiner dan 1 cM.) maar dan is de plant een waterplant; soms ook is de kolf met de scheede vergroeid 23. Araceae.
34a. Bladeren in den knop geplooid, later door inscheuring min of meer diep vindeelig of handdeelig of tenminste tweespletig. Bloemen 6-tallig vaak éénslachtig, in vertakte bloeiwijzen die aan de basis, één of meer groote scheeden dragen, die de bloeiwijze in den knop omsluiten. Meest duidelijke stammen aanwezig 21. Palmae.
34b. Bladeren en bloeiwijzen anders van bouw 35
35a. Bladeren enkelvoudig parallelnervig, niet netaderig; meest zonder duidelijke hoofdnerf en dan zijn de bladeren lang en smal, of met een duidelijke hoofdnerf, doch dan loopen de zijnerven alle ter weerszijden van den hoofdnerf evenwijdig met elkaar naar den bladrand of den bladtop; bloemen 3-tallig, soms 2-tallig, maar dan zijn de bloembekleedselen vliezig 36 [1]
35b. Bladeren samengesteld of enkelvoudig, maar dan duidelijk netaderig, ook al loopen enkele hoofdnerven evenwijdig aan elkaar; bloemen meest 4- of 5-tallig, soms 3-tallig, maar dan in ieder geval de bladeren netaderig 60
35c. Planten zonder bladgroen met kleine schubvormige bladeren of zonder bladeren; parasieten of saprophyten 55
36a. Bloemen zeer klein, in dichte wollige hoofdjes, die kleiner zijn dan 1 c.M. en een gemeenschappelijk omwindsel aan den voet hebben. Kleine planten met smalle blaadjes 30. Eriocaulaceae.
36b. Bloemen niet in hoofdjes, of als ze in hoofdjes staan dan zijn deze niet wollig, grooter dan 1 cM. of niet door een gemeenschappelijk omwindsel omgeven 37
37a. Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig 38
37b. Vruchtbeginsel onderstandig of half-onderstandig 49
38a. Bloemdek klein, vliezig, niet gekleurd, soms ontbrekend; bladeren met stengelomvattende scheeden 39
38b. Bloemdek gekleurd of kelk en bloemkroon beide aanwezig, en dan beide of de laatste gekleurd 40
39a. Stengelbladeren met buisvormig vergroeide scheeden; kruiden met meest kantige stengels zonder knoopen en niet hol 20. Cyperaceae.
39b. Bladscheeden om den stengel gerold maar aan één zijde open. Stengel cylindervormig, met knoopen, vaak tusschen de knoopen hol. Op den grens van bladscheede en bladschijf bijna steeds een tongetje aanwezig 19. Gramina.
40a. Bloemen met een bloemdek dat bijna steeds vergroeidbladig is 41
40b. Bloemen met kelk en bloemkroon, los- of vergroeidbladig 43
41a. Waterplanten met zygomorfe bloemen, en vrij breede bladeren 34. Pontederiaceae.
41b. Landplanten met regelmatige bloemen en grasachtige bladeren 42
42a. Bloemen groot; planten met duidelijke rechtopstaande stammen, meeldraden 6 38. Liliaceae.
42b. Bloemdek klein vergroeidbladig, 6-tallig met 3 meeldraden. Kruiden. 39. Haemodoraceae.
43a. Meerdere vruchtbeginsels aanwezig in een bloem; in mannelijke bloemen vele meeldraden 15. Alismataceae.
43b. Slechts één vruchtbeginsel in elke bloem 44
44a. Een van de kelkbladeren veel grooter dan de beide andere of ontbrekend; meeldraden 3; vaak nog 3 penseel- of draadvormige staminodiën; bloemen in gerekte hoofdjes 29. Xyridaceae.
44b. Alle kelkbladeren even groot, of, indien de bloem een weinig zygomorf is, dan de bloemen niet in hoofdjes 45
45a. Slechts 3 meeldraden aanwezig, geen staminodiën; kleine planten met het uiterlijk van mossen 28. Mayacaceae.
45b. 5 of 6 meeldraden aanwezig, daarvan soms 2 of 3 zonder stuifmeel 46
46a. Bloemkroon vergroeidbladig 47
46b. Bloemkroon losbladig 48
47a. Bloemen in een aar, en dan met één scheede onder de bloeiwijze of in een hoofdje, en dan door 2 scheeden omhuld; kelk losbladig, meeldraden met de bloemkroon vergroeid; landplanten 31. Rapateaceae.
47b. Bloeiwijzen zonder een of twee omhullende scheeden, in trossen, pluimen of hoofdjes. Bladeren voor het grootste deel in een roset; aan den rand vaak gestekeld. Epiphyten of rotsplanten 32. Bromeliaceae.
48a. Sappige, meest op den bodem kruipende of liggende kruiden: helmknoppen kort, eivormig of de helmhokjes door een breed helmbindsel van elkaar verwijderd; vaak eenige meeldraden zonder stuifmeel 33. Commelinaceae.
48b. Epiphyten of rotsplanten met zeer lange helmknoppen 32. Bromeliaceae.
49a. Bloemen regelmatig of bijna regelmatig met 3, 5 of 6 meeldraden 50
49b. Bloemen duidelijk zygomorf of onregelmatig met 1 of 2 meeldraden 52
50a. Meeldraden 6 51
50b. Meeldraden 5, soms nog een staminodium aanwezig; bloemdek meest een weinig zygomorf; bloemen in gedrongen bloeiwijzen in den oksel van groote, meest sterk gekleurde schutbladeren. Bladeren groot 45. Musaceae.
50c. Meeldraden 3; bloemdek vergroeidbladig, regelmatig; kleine kruiden, vaak zonder bladgroen 49. Burmanniaceae.
51a. Kelk en bloemkroon te onderscheiden, verschillend van kleur en grootte 32. Bromeliaceae.
51b. Bloemen met een 6-tallig bloemdek. Meeldraden vaak op een aparte kroon binnen in de buis van het bloemdek gezeten 40. Amaryllidaceae.
52a. Bloemen zygomorf 53
52b. Bloemen onregelmatig 54
53a. Een van de bloemkroonbladeren is tot een lip vervormd, zoodat er behalve de lip nog 3 kelkbladeren en 2 bloembladeren aanwezig zijn; 1, zelden 2 meeldraden met den stijl vergroeid, stuifmeel meestal in klompjes. Meest epiphyten 50. Orchidaceae.
53b. De lip wordt gevormd door een vervormde meeldraad, zoodat alle 3 de kelkbladeren en de 3 bloembladeren aanwezig zijn; bovendien soms nog 2 staminodiën. Meeldraad één, met poedervormig stuifmeel. Landplanten met knollen of wortelstokken 46. Zingiberaceae.
54a. Bladeren met een verdikt gedeelte van de bladsteel onder de bladschijf; vaak scheef aan den top. In elk hokje van het vruchtbeginsel maar een zaadknop. Bloemen vrij klein (hoogstens 2 cM.) 48. Marantaceae.
54b. Bladsteelen onder de schijf niet met een verdikt gedeelte. Meerdere zaadknoppen in elk hokje van het vruchtbeginsel. Bloemen groot. 47. Cannaceae.
55a. Planten op den bodem van oerbosschen groeiend; saprophyten 56
55b. Planten parasitisch op andere planten levend, niet in den bodem wortelend 58
56a. Bloemen éénslachtig, met een 3-tallig bloemdek, zeer talrijk in een dichte eivormige bloeiwijze 73. Balanophoraceae.
56b. Bloemen tweeslachtig, niet in dichte hoofdjes 57
57a. Bloemen 3-tallig met een vergroeidbladig bloemdek. Meeldraden 3, vruchtbeginsel onderstandig 49. Burmanniaceae.
57b. Bloemen 4- of 5-tallig met kelk en bloemkroon. Bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 4 of 5; vruchtbeginsel bovenstandig 246. Gentianaceae.
58a. Stengel zeer kort, bijna ontbrekend; geheele plant nog niet een centimeter groot, uit één bloem bestaande met enkele schubben aan den voet. Bloemen éénslachtig; plant op boomtakken parasiteerend 75. Rafflesiaceae.
58b. Stengels dun, draadvormig en meest zeer lang 59
59a. Bloemen 3-tallig met 9 meeldraden. Vrucht met één zaad, éénhokkig 102. Lauraceae.
59b. Vruchtbeginsel en vrucht meerhokkig met meerdere zaden; bloemen 4- of 5-tallig met 4 of 5 meeldraden 249. Convolvulaceae.
60a. Planten met samengestelde bladeren 61
60b. Planten met enkelvoudige bladeren 100
61a. Bloemen met een bloemdek of zonder bloembekleedselen 62
61b. Kelk en bloemkroon beide aanwezig 64
62a. Meerdere vruchtbeginsels en talrijke meeldraden in één bloem. Soms éénslachtige bloemen aanwezig; bloemdek 6-8-bladig, bladeren gevind 91. Ranunculaceae.
62b. Bloemen met één vruchtbeginsel 63
63a. Bladeren gevind of 3-tallig, vruchtbeginsel éénhokkig met één stijl of een zittende stempel; bloemen min of meer zygomorf 128. Papilionaceae.