63b. Bladeren handvormig samengesteld. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen of 3 stempels; bloemen regelmatig 147. Euphorbiaceae.
64a. Bladeren handvormig samengesteld niet 3- of 2-tallig 65
64b. Bladeren gevind of 2- of 3-tallig 71
65a. Vruchtbeginsel en vrucht 3-hokkig met 3 stijlen of 3 stempels. Bloemen steeds éénslachtig 147. Euphorbiaceae.
65b. Vruchtbeginsel 2- of 4-meerhokkig. Bloemen steeds 2-slachtig 66
66a. Meeldraden 6. Vruchtbeginsel in de bloem op een lange steel gezeten, soms met de meeldraden samen. Bloemkroon 4-bladig 107. Capparidaceae.
66b. Meeldraden 4 of 5 67
66c. Meeldraden talrijk 70
67a. Meeldraden 4, bloemkroon en kelk vergroeidbladig 68
67b. Meeldraden 5 69
68a. Bloemen hoogstens 1 c.M. groot, vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 of 4 zaadknoppen; vrucht besachtig met een 4-hokkige steen 253. Verbenaceae.
68b. Bloemen veel grooter, vruchtbeginsel 1- of 2-hokkig met vele zaadknoppen. Vrucht een doosvrucht 258. Bignoniaceae.
69a. Bloemkroon trechtervormig, groot. Meeldraden in de buis vastzittend. Klimplanten of lianen 249. Convolvulaceae.
69b. Bloemkroon losbladig; de bloembladen aan den nagel kapvormig; meeldraden met eenige staminodiën tot een buis vergroeid. Bloeiwijzen uit de stammen te voorschijn komend 178. Sterculiaceae.
69c. Bloembladen aan den nagel niet kapvormig; bloeiwijzen aan het eind van de takken. Groote boomen 177. Bombacaceae.
70a. Kelk losbladig. Bloemen groot, geel, de meeldraden aan de eene zijde van de bloem korter dan aan de andere zijde, zoodat de bloem een weinig zygomorf is. Vrucht met 3 dubbele kleppen openspringend 195. Cochlospermaceae.
70b. Kelk vergroeidbladig. Bloemen regelmatig; vruchtbeginsel en vrucht 5- tot 10-hokkig 177. Bombacaceae.
71a. Bloemen in hoofdjes en door een gemeenschappelijk omwindsel omgeven. Vruchtbeginsel onderstandig 280. Compositae.
71b. Bloemen niet in hoofdjes of, als ze in hoofdjes staan, niet door een gemeenschappelijk omwindsel omgeven 72
72a. Vruchtbeginsel onderstandig, bloemen in schermen 73
72b. Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig 74
73a. Vruchtbeginsel met een twee-spletige stijl of met 2 stempels; vrucht in 2 eenzadige deelen uiteenvallend, kruiden met verspreide bladeren 228. Umbelliferae.
73b. Vruchtbeginsel met een min of meer duidelijk 3-lobbige stempel en korte stijl; vrucht een bes; heesters of boomen met tegenoverstaande bladeren 271. Caprifoliaceae.
74a. Bloemkroon vergroeidbladig zygomorf met 4 meeldraden in de buis 75
74b. Bloemkroon losbladig, of indien de bloemkroon vergroeidbladig is, dan is hij in ieder geval regelmatig 76
75a. Bloemen hoogstens 1 c.M. groot; vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht besachtig met een 4-hokkige steen. Bladeren 3-tallig 253. Verbenaceae.
75b. Bloemkroon grooter dan 1 cm.; vruchtbeginsel 1- of 2-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; bladeren 3-tallig of gevind 258. Bignoniaceae.
76a. Meeldraden veel meer dan 12 77
76b. Meeldraden 1 tot 12 80
77a. Bloemen klein in dichte hoofdjes. Bladeren gevind of dubbelgevind; vrucht een peul 128. Mimosaceae.
77b. Bloemen niet in hoofdjes 78
78a. Bloemkroon bestaande uit 2 kleine bladeren of één groot blad. Meeldraden vaak ongelijk van grootte 128. Papilionaceae.
78b. Bloembladeren 4-6; bladeren 3-tallig 79
79a. Bloembladeren 4, langgenageld; vruchtbeginsel op een lange steel met één stijl 107. Capparidaceae.
79b. Bloembladeren 4-6, niet langgenageld. Vruchtbeginsel ongesteeld met 4-meer stijlen 183. Caryocaraceae.
80a. Bloemen klein, in hoofdjes of in dichte aarvormige trossen. Vruchtbeginsel 1-hokkig, vrucht een peul 128. Mimosaceae.
80b. Bloemen alleenstaand of in vertakte bloeiwijzen 81
81a. Bloemen volkomen regelmatig; meeldraden in een lange buis vergroeid, die aan den zoom min of meer getand is en daar de zittende helmknoppen draagt. Vruchtbeginsel meerhokkig. 140. Meliaceae.
81b. Meeldraden niet in een buis vergroeid, of als de helmdraden vergroeid zijn, dan is de bloem niet regelmatig en het vruchtbeginsel niet meerhokkig 82
82a. Bloemen regelmatig 83
82b. Bloemen zygomorf 98
83a. Bloemkroon vergroeidbladig 84
83b. Bloemkroon losbladig 85
84a. Bladeren drietallig met doorschijnende puntjes (olieklieren); bloemkroon buisvormig 137. Rutaceae.
84b. Bladeren gevind, zonder olieklieren; bloemkroon zeer kort 139. Burseraceae.
85a. Bloemen 4-tallig met 4 meeldraden, die tegenover de bloembladeren staan. Vruchtbeginsel 2-hokkig 170. Vitaceae.
85b. Meeldraden meer of minder dan bloembladeren, of indien er evenveel zijn als bloembladeren, dan wisselen ze ermee af 86
86a. Meeldraden 10, waarvan 5 met en 5 zonder helmknopjes 87
86b. Meeldraden alle met helmknoppen 88
87a. Boomen met dubbel- of 3 × gevinde bladeren. Bloemen een weinig zygomorf; vruchtbeginsel éénhokkig, van binnen met 3 rijen van zaadknoppen. Vrucht zeer lang, 3-kantig met gevleugelde zaden 109. Moringaceae.
87b. Slechts één rij van zaadknoppen in het vruchtbeginsel. Vrucht een peul 128. Papilionaceae.
88a. Meer dan 1 vruchtbeginsel in elke bloem aanwezig. Bladeren gevind 127. Connaraceae.
88b. Slechts 1 vruchtbeginsel in elke bloem 89
89a. Bloemen zonder ringvormige schijf om het vruchtbeginsel 90
89b. Bloemen met een ringvormige schijf om het vruchtbeginsel 93
90a. Bladeren tegenoverstaand. Bloemen vrij groot, blauw; vruchtbeginsel 2-hokkig 135. Zygophyllaceae.
90b. Bladeren verspreid 91
91a. Vruchtbeginsel meerhokkig, meest 5-hokkig. Kelk losbladig; kruiden met 3-tallige bladeren of kleine boomen met gevinde bladeren, in het laatste geval komen de bloemen uit het hout te voorschijn 130. Oxalidaceae.
91b. Vruchtbeginsel meest 2-, zelden 3-5-hokkig; bloemen 5-tallig; kelk van onderen vergroeid; meeldraden 10; vruchtbeginsel op een korte dikke steel gezeten met een lange stijl; bladeren met doorschijnende olieklieren 137. Rutaceae.
91c. Vruchtbeginsel 1-hokkig 92
92a. Kelk vergroeidbladig; vrucht een peul 128. Papilionaceae.
92b. Kelk vergroeidbladig; vrucht een gesteelde eenzadige doosvrucht 127. Connaraceae.
93a. Meeldraden evenveel als bloembladeren of weinig meer, in ieder geval niet dubbel zooveel als bloembladeren 94
93b. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren 95
94a. Vruchtbeginsel 5-hokkig; bloembladeren van binnen met een kiel of plaat. Zaden gevleugeld 140. Meliaceae.
94b. Vruchtbeginsel 3-hokkig; bloembladeren van binnen zonder kiel of plaat. Zaden niet gevleugeld 165. Sapindaceae.
95a. Helmdraden met schubben aan de basis. Vruchtbeginsel 4-5-hokkig, reeds tijdens de bloei door 4-5 groeven gedeeld 138. Simarubaceae.
95b. Helmdraden zonder schubben aan den voet 96
96a. Schijf buiten de meeldraden staande, dus deze laatsten tusschen de schijf en het vruchtbeginsel ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig 165. Sapindaceae.
96b. Schijf tusschen meeldraden en vruchtbeginsel staande 97
97a. Kelk met zwak gelobde zoom. Stijl 1 met 4-5-lobbige stempel 139. Burseraceae.
97b. Kelk diep gedeeld. Stijlen 4-5, geheel vrij of in een 4-5-lobbige stempel vereenigd 153. Anacardiaceae.
98a. Bloemkroon vergroeidbladig; kelk 5-bladig, met ongelijke bladeren. Slechts 2 meeldraden met helmknoppen. Bladeren 3-tallig; kruiden 137. Rutaceae.
98b. Bloemkroon losbladig 99
99a. Bloemen met een schijf buiten de meeldraden. Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig 165. Sapindaceae.
99b. Schijf ontbrekend. Bloemkroon meest vlindervormig en dan meeldraden meest in een buis vergroeid; soms geen vlindervormige bloemkroon 128. Papilionaceae.