LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 32 DE BLAUWE DOOD.
DE BLAUWE DOOD.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE BEKROONDE SCHOONHEID.
Het had verschillende maanden geduurd, voordat John Raffles onder de zorgvuldige behandeling van Charly Brand van zijn laatste avontuur in Indië was hersteld.
Wonderschoone herfstdagen hadden zij, ver van de menschen, in het kleine Schotsche badplaatsje doorgebracht.
Opnieuw versterkt naar lichaam en geest keerde Lord Lister naar Londen terug, waar hij een huis betrok aan de Trinity Square, dat hij had gehuurd onder den naam Lord Randolph.
Zij bevonden zich sinds twee dagen in Londen en zaten gezellig aan hun ontbijt, toen de secretaris zijn vriend een courant gaf met de woorden:
„Dat is inderdaad de mooiste vrouw, die ik ooit heb gezien.”
John Raffles keek vluchtig naar het portret, dat in de courant werd gepubliceerd en een droevige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat.
„De mooiste vrouw, mijn beste Charly, is voor iedereen die, welke hij bemint.”
„Je hebt gelijk,” antwoordde zijn vriend en op dit oogenblik bedacht hij, dat hij een nauwelijks genezen wonde in het hart van den Lord pijnlijk had aangeraakt.
John Raffles verzonk in stil nadenken en Charly Brand zag aan hem, dat zijn gedachten ver van Londen waren. Daarom deed hij al zijn best om zijn vriend niet te storen en verdiepte zich weer in de courant.
Hij begon het artikel te lezen, dat nadere bijzonderheden omtrent de mooie vrouw behelsde.
Het betrof een wedstrijd, georganiseerd door de Londensche „Times”, wie wel de schoonste vrouw in Engeland was. De jury had aan het origineel van het portret den eersten prijs van duizend pond sterling toegekend.
Plotseling keek John Raffles zijn vriend aan en vroeg terwijl hij een cigarette opstak:
„Hoe heet de dame?”
„Miss Evelin Bonn, een tooneelspeelster. Waarom vraag je dat?”
„Ik moet haar ergens gezien hebben. Geef mij de courant nog eens.”
De secretaris voldeed aan zijn verzoek en Raffles keek eenige minuten onderzoekend naar het portret.
„Een eigenaardig gezicht,” sprak hij, „het verraadt geen gunstig karakter. De wenkbrauwen zijn merkwaardig recht geteekend, de neuswortel iets te dun, de kin te gevuld. Het is het portret van een oplichtster of van een nog gevaarlijker persoon.
„Ik begrijp niet, hoe de jury den eersten prijs heeft kunnen toekennen aan een dergelijk persoontje. Men moest liever op het karakter letten dan op uiterlijkheden.”
Hij stond op en maakte zich gereed om uit te gaan.
„Mag ik je vergezellen?” vroeg Charly Brand.
„Lord Turkington verwacht mij, om met mij een pas door hem gekochte nieuwe auto te probeeren. Ik weet niet, of je hem welkom zult zijn.”— —
Een uur later bevond John Raffles zich bij zijn nieuwen vriend, Lord Turkington, met wien hij zeer intiem was geworden door het avontuur in Indië. [1]
Nauwelijks had de Lord hem begroet, of deze toonde hem reeds in de courant het portret van Miss Evelin Bonn.
„Dat is de mooiste vrouw,” riep Lord Turkington, „die ik ooit heb gezien. Ik zou dolgraag kennis met haar willen maken.”
„Een gevaarlijk vuur, waaraan gij u zoudt kunnen branden,” antwoordde Raffles, „voor zulk een vrouw geraakt men niet in vervoering. Die bekijkt men zooals men een mooi costuum of een briljant beziet.
„Dergelijke vrouwen kunnen den man, dien zij in haar netten vangen, het leven kosten en ik vind, dat het leven van elken man, zelfs dat van den eenvoudigsten werkman, meer waarde heeft dan dat van een vrouw, die door het toeval met groote schoonheid is bedeeld.”
„Kom, kom,” antwoordde Lord Turkington, „gij schijnt, sinds gij in Indië zijt geweest, een vrouwenhater te zijn geworden.”
„Geenszins,” sprak Lord Lister met een smartelijken trek om den mond, „ik acht en vereer elke vrouw, die een goed karakter heeft. Maar ik veracht degenen, die, alleen omdat zij een schoon uiterlijk hebben, denken, dat de mannen geschapen zijn om schatten voor haar te verdienen, opdat haar schoonheid in een geschikte omlijsting geplaatst kan worden.
„Dergelijke schepsels zijn nutteloos in de wereld. Even nutteloos als een schoone maar giftige bloem.”
„Zijt gij een vijand van elke schoonheid? Het schoone heeft ook een doel.”
„Zeker,” antwoordde Raffles, „maar niet de schoonheid van den vorm, wel de innerlijke schoonheid.
„Ik blijf bij mijn meening, Lord Turkington. En daarom waarschuw ik u als oudere vriend. Blijf deze schoone vrouw ver uit den weg, want gij zoudt anders uw ondergang tegemoet gaan.”
„Het is merkwaardig,” sprak Lord Turkington, „reeds een uur lang, sinds ik het portret in de courant heb gezien, zie ik het beeld van deze vrouw onophoudelijk voor oogen. Ik heb reeds een brief geschreven aan het adres van Miss Evelin Bonn, dat in de courant vermeld stond, waarin ik haar vroeg, wanneer mijn bezoek haar aangenaam zou zijn.”
Raffles stak een cigarette aan en staarde de blauwe rookwolkjes na, terwijl hij sprak:
„Het is ten slotte ook eigenlijk hetzelfde, op welke wijze men zich voorbereidt op de eeuwigheid. De eene doet het door spel, de andere door alcohol, een derde door de vrouw, weer anderen door zorgen en arbeid. Het slot is toch altijd hetzelfde. Wij moeten maar bedenken, dat er op een goeden dag een eind aan komt.
„Het voornaamste voor een mensch is, dat hij op zoo weinig mogelijk onbeschreven bladen in zijn levensboek heeft terug te zien.”
Lord Turkington lachte:
„Sinds gij uit Indië zijt teruggekeerd, zijt gij een philosoof geworden.”
„Op het oogenblik stel ik het allermeeste belang in uw nieuwe auto,” antwoordde Raffles, het gesprek afbrekend.
„Ja”, knikte Lord Turkington, „ik zou bijna het doel van uw bezoek vergeten. Kom, laat ons de auto eens gaan probeeren.”
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN UITDAGING TOT EEN DUEL.
In het weelderige boudoir van een villa in het Regentpark lag Miss Evelin Bonn op een met een ijsbeervel bedekte divan, gehuld in een wonderlijk Japansch morgenkleed. Zij keek met half gesloten oogen naar een ouden man, die voor haar zat en die met halfluide stem den inhoud voorlas van verschillende brieven, die met de ochtendpost waren gekomen.
„Dear Lady!” las hij. „Verrukt over uw wonderschoon portret verzoek ik u, de eer te mogen hebben, kennis met u te maken.
LORD RICHARD TURKINGTON.”
De oude wachtte even en keek degeen, die voor hem lag, eenige minuten aan.
„Wie is dat?” vroeg de diva eindelijk, terwijl zij geeuwde.
„Een der rijkste en voornaamste Peers van geheel Engeland,” antwoordde de oude. „Ik geloof, dat wij niet noodig hebben, de andere brieven te openen. Lord Turkington weegt op tegen de geheele verdere correspondentie. Het is de moeite waard om kennis met hem te maken.”
„Schrijf hem dan.”
De oude man stond op.
„Wanneer wil je hem ontvangen?”
„Hedenavond, zeven uur, te soupeeren.”
Zij stond eveneens op, belde de kamenier en begon toilet te maken.
Toen Lord Turkington en John Raffles in den namiddag van hun autotocht terugkeerden, vond de eerste een blauwachtig, deftig couvert op zijn schrijftafel liggen.
Het was het antwoord van Mrs. Evelin Bonn, dat zij hem des avonds om zeven uur verwachtte.
De jonge edelman las den brief en daar hij een verklaring tegenover zijn nieuwen vriend wilde vermijden, deelde hij dezen niets van den inhoud van het schrijven mee. Hij stak den brief in zijn borstzak en samen gingen zij dineeren.
Toen zij later afscheid van elkaar namen, vroeg Raffles:
„Waar brengt gij den avond door?”
„Wij kunnen elkaar in de Pennsylvania-club ontmoeten; ik zal daar na het theater zijn.”
Kort daarop ging Lord Lister heen.
Des avonds bezocht de groote onbekende met zijn secretaris de Pennsylvania-club en ook daar liep het gesprek over den schoonheidswedstrijd van de „Times”. Bijna alle leden der Club bleken vurige bewonderaars te zijn van Miss Evelin Bonn.
Alleen Raffles maakte hierop een uitzondering.
Toen Lord Turkington tegen middernacht in de Club verscheen, bemerkte Lord Lister aan het roode gezicht van den Lord en aan diens schitterende oogen, dat hem iets prettigs moest zijn overkomen.
Hij zou niet lang in onzekerheid blijven.
Geen enkele verliefde kan het geheim, dat hem gelukkig maakt, lang voor zich houden.
Hij moet zijn hart tegen iemand uitstorten.
Voor Lord Turkington was Raffles de vertrouwde, met wien hij zich naar een zijvertrek begaf, waar hij hem vertelde, dat hij den avond had doorgebracht in gezelschap van Evelin Bonn en dat zij een diepen, onuitwischbaren indruk op hem had gemaakt.
„Ik zal haar trouwen,” eindigde hij zijn verhaal.
In plaats van te antwoorden haalde zijn vriend een voortreffelijk bewerkt Browning-pistool uit zijn zak te voorschijn.
„Wat moet ik daarmee doen?” vroeg Lord Turkington.
„Dit is mijn antwoord op uw biecht. Denk daaraan, als gij naar aanleiding van deze kennismaking een dergelijk wapen ter hand neemt. Gij bevindt u op gevaarlijk terrein.”
„Gij zijt een pessimist,” antwoordde de jonge Peer lachend. „Kom, ik wil de verovering, welke ik hedenavond heb gemaakt, met de beste champagne, die wij in de Club kunnen krijgen, vieren.”
De groote onbekende nam echter geen deel aan de nu volgende drinkpartij, maar verliet het Clubgebouw en ging met Charly Brand naar huis.
Hij gevoelde oprechte vriendschap voor den Lord en het speet hem, dat deze zich door de bekoorlijkheden der tooneelspeelster had laten verleiden.
