Lord Lister kende de vrouwen voldoende om te begrijpen, wat van een dergelijke te verwachten was.
Verscheidene dagen waren verloopen, toen Raffles op een wandeling een ander lid der Club ontmoette, die naar hem toekwam en hem aansprak met de woorden:
„Hebt gij het laatste nieuwtje al gehoord?”
Raffles haalde de schouders op.
De ander, een jonge, Schotsche graaf, vervolgde:
„De graaf van Heresford en Lord Richard Turkington zijn mededingers geworden. Als ik mij niet heel erg vergis, is een duel tusschen die twee onvermijdelijk.”
„Mededingers? In hoeverre?” vroeg Lord Lister.
„Herinnert ge u de bekroonde schoonheid, Miss Evelin Bonn?”
John Raffles knikte.
„Wel, de dame heeft de beide Lords dagen achtereen bij zich ontvangen. Beide Lords zweren, dat zij door haar worden bemind.”
Raffles lachte hartelijk.
„Lord Heresford is een oude, grijze man, dan heeft Lord Turkington meer kans.”
„Dat is de vraag,” antwoordde de jonge Schot. „Lord Heresford bezit ongetwijfeld een grooter vermogen dan Lord Turkington. Wie weet, of in dit geval ook niet het geld het meeste gewicht in de schaal legt, waar het de gunst van de schoone Miss Evelin Bonn betreft.”
„Dat zou een geluk zijn voor Lord Turkington.”
Beide heeren wisselden nog eenige woorden, waarna Raffles zich naar Lord Richard Turkington begaf.
„Het is goed, dat gij komt,” riep deze hem toe, „ik wilde mijn bediende reeds naar u toezenden. Ik heb een secondant noodig.”
John Raffles floot zachtjes.
„Ik heb reeds gehoord, dat er een duel zou plaats hebben tusschen u en den graaf van Heresford. Denkt gij het niet nog te kunnen vermijden?”
„Neen!” luidde het antwoord van Lord Turkington, „die man veroorloofde zich vandaag een afbrekende kritiek over mij in de Club en snoefde er op, de verloofde van Miss Evelin Bonn te zijn!”
„En hoe gedraagt Miss Bonn zich?”
„Zij denkt niet aan een dergelijke verbinding. De oude graaf is een gek. Ik heb hem naar aanleiding van zijn uitlating een beleediging toegevoegd, die hij met gelijke munt betaalde.
„Een duel is onvermijdelijk. Ik bid u, ga graaf van Heresford opzoeken, om al het noodige met hem te regelen. Ik laat de keus der wapens aan hem over.”
John Raffles zag in, dat volgens de strenge etikette, die in hun kringen heerschte, een andere uitweg onmogelijk was en een duel dus onvermijdelijk.
Een uur later trad de groote onbekende de woning van den graaf van Heresford binnen en werd door den bediende in de studeerkamer van den graaf gebracht.
Na een beleefde begroeting sprak Raffles:
„Ik veronderstel, dat gij weet, voor welke kiesche aangelegenheid ik bij u kom.”
„Ja,” antwoordde de graaf, „gij zijt de vriend van Lord Richard Turkington en gij wenscht van mij te vernemen, wie mijn secondant is, omdat gij het noodige voor het tweegevecht wenscht te regelen.”
Lord Lister boog toestemmend.
„Ik heb,” vervolgde de graaf, „nog geen keus gedaan. Gij staat mij daarom zeker toe, dat ik u eenige regelen meegeef voor mijn vriend baron Van der Velde.”
Hij nam aan de schrijftafel plaats en begon den brief te schrijven.
Op dit oogenblik werd aan de deur geklopt en de kamerdienaar van den graaf trad binnen.
Op een zilveren blad bood hij den graaf een blauwachtig couvert aan en de oogen van den ouden man straalden van vreugde, toen hij het aannam.
„Gij verontschuldigt een oogenblik?” sprak hij tot Raffles, „mag ik, voordat ik verder schrijf, dezen brief lezen?”
Hij opende het couvert en nam er een brief uit, benevens een enveloppe voor het antwoord.
Hij las verscheidene minuten lang.
Hierop nam hij schrijfpapier, zette eenige regels daarop, vouwde het papier samen en stak het als antwoord in het meegezonden couvert.
Haastig bevochtigde hij het, sloot het en belde den bediende.
Toen deze binnentrad, sprak hij:
„Dadelijk per ijlbode— —” verder kwam hij niet. Zijn gelaat werd vaalbleek, hij hijgde naar adem en met een zwaren slag viel hij op den vloer neer.
Verschrikt en vol ontzetting keken Raffles en de kamerdienaar naar den ouden heer.
„Raffles had het eerst zijn tegenwoordigheid van geest terug, tilde den graaf op en legde hem op den divan. Daarop legde hij zijn hand op diens voorhoofd, dat ijskoud was en voelde den pols, die niet meer klopte.
Ontsteld beval hij den bediende:
„Haal den dichtstbij wonenden dokter zoo snel gij kunt.”
De bediende ijlde weg en reeds een paar minuten later stond de dokter van den graaf, die in de buurt woonde, aan diens legerstede.
Een kort onderzoek volgde en toen dit was afgeloopen schudde de dokter het hoofd en sprak:
„Hartverlamming! Hij is dood!”
John Raffles was gedurende het onderzoek naar de schrijftafel gegaan en had den brief met het lichtblauwe couvert ongemerkt bij zich gestoken.
Spoedig daarop verliet hij met den dokter de woning.
De brief met het antwoord van den graaf, waarnaar hij eveneens informeerde, was intusschen reeds ter post bezorgd, zoodat het den grooten onbekende niet gelukte, inzage daarvan te nemen.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN LACHENDE ERFGENAME.
Thuis gekomen, las John Raffles meermalen den brief, dien hij van de schrijftafel had weggenomen, daarop riep hij Charly Brand bij zich en gaf hem ook het schrijven ter inzage.
Hij keek met gespannen aandacht naar het gelaat van zijn vriend.
Maar hij ontdekte daarop niet de uitdrukking, die hij had verwacht.
„Geef mij den brief terug. Ik zie wel, dat je er niets bijzonders aan ontdekt,” sprak hij op geërgerden toon.
Zijn vriend keek hem verbaasd aan.
Wat bedoelde Raffles met deze vreemde opmerking!
„Ik begrijp je niet”, antwoordde de secretaris daarom op onthutsten toon, „die brief zegt immers niets”.
„Luister dan eens naar mij”, sprak Lord Lister, den brief ter hand nemend. „Ik zal je hem woord voor woord nogeens langzaam voorlezen.
„Mijn lieve graaf!
Ik ontving hedenmiddag van uw notaris het afschrift van uw testament, zoodanig ingericht, als papa het met u heeft besproken. Daarom zal ik dan ook mijn gegeven woord gestand doen en geef u vrijheid onze verloving bekend te maken. Zendt mij onmiddellijk antwoord wanneer ik u heden mag verwachten, opdat ik ervoor kan zorgen, thuis te zijn.
Gebruik voor uw antwoord bijgaand couvert, opdat ik bij de vele stukken, die de post bezorgt, uw brief dadelijk herken.
Een genoeglijken avond verwachtend,
blijf ik de uwe
EVELIN BONN.”
John Raffles had ieder woord, zonder een lettergreep te verwaarloozen, gelezen.
Peinzend keek hij nu naar den brief, die naar een onbekend parfum rook.
„Ik weet niet, wat je wilt”, sprak Charly, „vindt je iets vreemds in dit schrijven?”
De groote onbekende borg den brief zoo zorgvuldig in zijn portefeuille, alsof het een banknoot van hooge waarde was.
„Ja zeker, mijn lieve Charly, die brief vertelt mij zeer vreemde dingen. Kom, ik zal je eens vertellen, welke tragedie daaraan verbonden is”.
Hij stak een cigarette aan en ging op zijn gemak in een fauteuil bij den haard zitten, terwijl zijn secretaris tegenover hem plaats nam.
„Ik bevond mij twee uur geleden als secondant van Lord Turkington bij den graaf van Heresford. Het was een onaangename boodschap voor mij, omdat ik niet veel voelde voor de oorzaak tot dit duel.
„De graaf was juist van plan, een brief aan zijn secondant te schrijven, met wien ik de zaak verder zou kunnen regelen, toen een bediende hem een brief bracht. Hetzelfde schrijven, dat ik je zooeven voorlas.
„De graaf opende den brief in mijn tegenwoordigheid, las hem en schreef een antwoord, dat hij den bediende overhandigde met de woorden: „Haast u...”
„Hij kwam niet verder, want hij zonk op den grond neer en stierf.
„Een paar minuten later was reeds een dokter aanwezig, doch ook deze kon slechts den dood constateeren. Zijn diagnose luidde: hartverlamming”.
Raffles zweeg, blies rookwolkjes uit zijn cigarette om zich heen en staarde nadenkend in het haardvuur.
Charly Brand draaide zenuwachtig zijn duimen om elkaar heen.
„Ik weet werkelijk niet, welk merkwaardigs daarin steekt. Waarschijnlijk heeft de graaf uit vreugde over zijn bevoorrechting een beroerte gekregen. Ik herinner mij, weleens over dergelijke gevallen gelezen te hebben”.
„Wat gij daar zegt, klinkt heel waarschijnlijk, mijn lieve Charly. Maar mijn zoogenaamd detective- of misdadigersinstinct zegt mij, dat de oorzaak van den dood van den graaf niet een natuurlijke is, doch dat hier een misdaad aan ten grondslag ligt. Ik denk, dat de zaak zich zoo heeft toegedragen:
„Miss Evelin Bonn heeft eenige uren van te voren van den notaris van den Peer een afschrift van het testament gekregen, waarbij de graaf haar tot zijn eenige erfgename benoemt. Onmiddellijk daarna sterft de erflater, als het ware op bevel.
„Hier ligt immers het vermoeden voor de hand, dat de dood geen natuurlijke oorzaak heeft gehad”.
„Jij hadt beslist detective moeten worden”, riep Charly vol bewondering uit.
Zijn vriend lachte.
„Ik zei je al vroeger eens, dat ik, om detective te zijn, slechts een vierde gedeelte noodig zou hebben van het verstand, dat mij te pas komt voor het beroep, dat ik heb gekozen”.
Op dit oogenblik trad de bediende binnen en meldde: „Lord Richard Turkington”.
De Lord trad de kamer binnen en zonder de gewone begroetingswoorden te uiten, riep hij: