WONDERREIZEN
JULES VERNE
MATHIAS SANDORF
EEN VERIJDELDE SAMENZWERING DOKTER ANTEKIRRT
AMSTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER” 1916
I.
DE REISDUIF.
Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt verdeeld in twee gedeelten, die zeer weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw en rijk, Theresienstadt genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs de boorden van die fraaie baai, waarvoor een deel door den mensch aan de golven ontwoekerd werd; het andere gedeelte is eene oude en arme stad, die geheel onregelmatig opgetrokken werd en besloten ligt tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt afgescheiden wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is met eene citadel, die een schilderachtig uiterlijk heeft.
De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich gemakkelijk en soms in onrustbarend aantal, groepen van die straatslijpers, van die bohemers, zooals zij wel genoemd worden, van die kerels zonder dak, welker jassen, broeken en vesten waarachtig geen zakken noodig hebben, omdat hunne eigenaren nooit iets gehad hebben en nooit iets zullen hebben, om er in te bergen.
Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou men te midden van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die een weinig beter gekleed waren dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last hadden of hebben zouden van de guldens of kreutzers, die zij bezaten, was weinig waarschijnlijk, tenzij de kansrekening ten hunnen gunste uitviel. Het is waar dat het een paar kerels waren, die in staat geacht moesten worden, alles te doen om de fortuin de hand te reiken en haar gunstig te stemmen.
De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was. De andere was op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den havendam voor den tienden keer op en neer gedrenteld te hebben, waren op zijn uiteinde blijven stilstaan. Van dat punt onderzochten zij den gezichteinder op zee ten westen van de baai van Triëst, alsof daar aan de kim een schip moest opduiken, hetwelk hun een vermogen zou aanbrengen!
„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker even vlug en vloeiend sprak als al de andere tongvallen, die rondom de Middellandsche Zee gesproken worden.
Sarcany antwoordde niet.
„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit. „Men weet altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als men niets te ontbijten heeft gehad!”
De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der maatschappij zijn in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk zoodanig vermengd, dat de aanwezigheid van die twee personen, hoewel zij blijkbaar vreemdelingen in de stad waren, volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij ook al leege zakken en al waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden, daar zij onder den bruinen mantel, die hen tot op de hielen viel, een hooge borst zetten, alsof zij wonder veel in de melk te brokken hadden.
Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte, maar evenredig gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen gang en was vijf en twintig jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer. Geen voornaam, geen doopnaam. En inderdaad, hij was niet gedoopt, omdat hij zeer waarschijnlijk van Afrikaansche herkomst was, van Tripoli of Tunis. Maar hoewel zijne huid gebruind was, deden zijne regelmatige trekken hem eerder voor een blanke dan voor een neger doorgaan.
Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van Sarcany. Men moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige gelaat, met die schoone zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met dien keurig geteekenden mond, die door een fijn kneveltje beschaduwd werd, de diepe sluwheid van dien jongen man op te maken. Geen nog zoo scherpziend oog zou op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van diepe verachting en van peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die uit een voortdurenden opstand en strijd tegen de maatschappij geboren worden. Wanneer de gelaatkundigen, en in zeer vele gevallen terecht, beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne behendigheid tegen zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen gelogenstraft hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man hebben kunnen gissen, wie hij was of wat hij geweest was. Hij ontlokte dien onweerstaanbaren afkeer niet, die door schurken en bedriegers opgewekt wordt. Hij was er des te gevaarlijker door.
Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te vertellen. Ongetwijfeld die van een verlaten, verstooten wezen. Hoe was hij opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht hij zijne eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan de zoovele oorzaken van verdelging en vernietiging onder die noodlottige klimaatsinvloeden? Waarlijk niemand—hij zelf waarschijnlijk ook niet—zou op die vragen antwoord hebben kunnen geven. Het toeval had hem het aanzijn geschonken, het toeval sleepte hem voort en hij was bestemd afhankelijk van het toeval te leven! Toch had hij in zijne jeugd eenig practisch onderricht genoten, hetwelk hij daaraan waarschijnlijk verschuldigd was, dat hij door de wereld had moeten rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen had moeten omgaan, en dat hij er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel op kunstmiddel uit te denken, al ware het maar om zijn dagelijksch onderhoud machtig te worden. Daardoor en door nog verschillende andere omstandigheden was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen met een der rijkste huizen van Triëst, met het bankiershuis van Silas Toronthal, wiens naam innig samengeweven zal zijn met den draad dezer geschiedenis.
Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men heeft in hem slechts te zien een dier mannen zonder god of gebod, een avonturier, in staat om alles te doen, om alles ter hand te nemen, iemand die ter beschikking is van den eerste den beste die goed betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die nog beter afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en ongeveer dertig jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten raad te geven als dien te ontvangen. Vooral evenwel zorgde hij voor de uitvoering daarvan. In welke plaats was hij geboren? Misschien zou hij die vraag beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder geval bekende hij ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan ergens woonde. Het was op Sicilië dat het toeval van zijn zwervend leven hem in aanraking met Sarcany gebracht had. En zoo gingen zij de wereld door en trachtten door alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de fortuin te beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine huid en zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene schelmachtigheid te bemantelen, die uit zijne steeds half gesloten oogen straalde en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd.
Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige babbelachtigheid te verbergen. Hij was daarenboven eerder vroolijk dan droevig van aard en veel meer mededeelzaam dan zijn makker.
Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid. Klaarblijkelijk verontrustte hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag had hij een laatste partij gespeeld in een speelhol van zeer laag allooi, waarbij de fortuin hem onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld had, en hij de laatste hulpmiddelen van Sarcany verspeeld had. Geen hunner wist dan ook hoe aan eten te komen. Ze konden en mochten slechts op het toeval rekenen, en daar die bedelaars-voorzienigheid zich niet haastte om hun de hand te reiken daar op dien havendam van San Carlo, zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door de nieuwe stad in te stappen.
Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als aan gene zijde van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst doorsnijdt, daar gaat, komt en verdringt zich, in den ijver om zaken te doen, eene bevolking van zeventig duizend zielen van Italiaanschen oorsprong, welker taaldialect, hetwelk dat van Venetië is, zich oplost in de kosmopolitische spraakverwarring van al die zeelieden, handelaren, geëmployeerden, beambten, die een mengelmoes doen hooren, dat uit Duitsch, Fransch, Engelsch en Slavonisch bestaat.
Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet daaruit de gevolgtrekking niet gemaakt worden dat allen, die daar op de straten ronddrentelen, gelukkige stervelingen genoemd kunnen worden. Neen, waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk hebben kunnen wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche handelaren, die te Triëst den baas spelen en welker weelderige huishouding de hoofdstad van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk overwaardig zou zijn. Maar die buiten rekening gelaten, hoeveel arme drommels, die van ’s morgens tot ’s avonds zwerven door die handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn, die gesloten worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee gelegen is, gebracht worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden drentelen daar niet, die niet ontbeten hebben, die misschien niet zullen middagmalen, opgehouden als zij zullen worden op de havenkaden, waar de schepen van de machtigste maritieme maatschappij van Europa, de Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de streken der aarde bijeengebracht, ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals er bij honderden in Londen, Liverpool, Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre, Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden, tusschen rijke reeders en cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen, welker ingang voor hen gesloten is, op de beurspleinen dier steden, gebouwen aan Mercurius gewijd, die zich nimmer voor hen zullen ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te Triëst beneden aan die trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren gevestigd heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de Kamer van Koophandel leeft.
