Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en nieuwe wereld, een klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die groote handelscentra eigen zijn. Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe dat lot hun beschoren werd, evenmin. Waar zij het hoofd neerleggen zullen, weten zij zelven niet. Onder hen worden aangetroffen die van hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn meestal vreemdelingen bovendien. De spoortreinen en de koopvaardijschepen brachten hen aan en wierpen hen op het perron of op de kaden als colli’s vrachtgoederen zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering op den openbaren weg, vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven.
Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren, die op de uiterste punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te hebben, verlieten alzoo den havendam en namen hun weg tusschen het Teatro Comunale en de kade door en bereikten zoo de Piazza Grande, waar zij gedurende een kwartieruur slenterden in de nabijheid van de fontein, die opgetrokken werd van steenen, welke uit den naburigen Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het standbeeld van Karel VI.
Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de voorbijgangers met onderzoekenden blik, alsof hij van het onweerstaanbare plan zwanger ging te willen zakkenrollen. Daarna slenterden zij rondom het groote vierkant van Tergesteum, juist op het oogenblik dat de beurstijd eindigde.
„De beurs is nu leeg.... zooals de onze!” meende de Siciliaan met een glimlach te moeten opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen had.
Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel van zijn makker niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de ledematen uit en geeuwde van honger.
Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen standbeeld van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone, die dat als een echte straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven opvliegen, die onder de boogvormige afdaken van de oude Beurs koekeloeren, zooals de grijsachtige duiven doen tusschen de Procuraties van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet ver van daar ontwikkelde zich het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude scheidt.
Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is, waarin goedbeklante magazijnen aangetroffen worden, die evenwel smakeloos genoemd moeten worden. Die straat doet eerder denken aan de Regentstreet van Londen of de Broadway van New-York, dan aan de Boulevards des Italiens te Parijs. Een groot aantal voorbijgangers wordt er steeds aangetroffen. Ook het aantal rijtuigen is er aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della Legna rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong nog niet vergeten is.
Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere verzoeking, zoo ging Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder er dien bijzonderen afgunstigen blik in te werpen, die van hen uitgaat, die de middelen missen naar binnen te kunnen gaan. Daar waren toch zaken in overvloed aanwezig, die zij wel zouden hebben kunnen gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de „bièreries” waar het bier meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk.
„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan op, terwijl hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte, alsof hij een kleppermansratel liet hooren.
Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen beantwoord.
Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers van het kanaal waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene fraaie draaibrug—overgang verleende, stapten zij die kaden langs, waar zelfs schepen van grooten diepgang kunnen vastmeeren. Daar werden zij veel minder verlokt en gepijnigd door de uitstalling van allerlei lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-Antonio gekomen, sloeg Sarcany plotseling rechtsom. Zijn makker volgde hem zonder eenige bemerking te maken. Daarna staken zij weer het Corso over en drentelden thans door de oude stad, welker straten zeer smal en onbruikbaar voor rijtuigen zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den Karstberg bereiken en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen in den regel zulke richting, dat zij niet door den schrikkelijken Borawind—zoo wordt een stevige noordoostelijke bries genoemd—bestreken kunnen worden. Hier in dat oude Triëst zouden Zirone en Sarcany als ware platzakken, zich meer te huis gevoelen dan in de rijke en prachtige kwartieren van de nieuwe stad.
Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden passantenhuis, niet ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden daar reeds hun intrek genomen bij hunne aankomst in de hoofdplaats van Illyrië. Maar daar de logementhouder nog nooit eenig geldstuk van hen te zien had gekregen en steeds dringender werd om zijne rekening, die iederen dag al grooter en grooter werd, betaald te krijgen, vermeden zij die gevaarlijke kaap, staken het plein over en flaneerden gedurende eenigen tijd rondom de Arco di Riccardo.
Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van vermeende bouwkunst kon hen niet bevredigen. Daar dus het toeval dezen keer blijkbaar zich niet haastte om hen te midden van die slecht befaamde straten te hulp te komen, begonnen zij, de een gevolgd door den ander, de steile stegen te beklimmen, die bijna tot op den top van den Karstberg, naar het plein der kathedraal voerden.
„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde Zirone, terwijl hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster aantrok.
Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden gezien, had men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die oneigenaardig straten genoemd worden en langs de hellingen van den Karstberg aangelegd zijn, opheschen. Tien minuten later hadden zij, hongeriger en dorstiger dan te voren, het plein daarboven bereikt.
Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte over de baai van Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige haven door het heen en weer varen der visschersvaartuigen, door het in- en uitstevenen der oorlogs-stoomers en der koopvaardijschepen; dat de blik kon waren over de geheele stad, over hare voorsteden, over de laatste huizen, die op de hellingen gelegen waren, over de villa’s, die verspreid op de hoogten verrezen, neen, dat alles kon onze twee avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij hadden in hun leven wel wat anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet op die hoogte met hunne ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral had veel liever langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar wat er aan te doen! Nu zij toch het toeval en zijne onvoorziene weldadigheden daar boven waren komen zoeken, moesten zij die zonder al te veel ongeduld afwachten.
Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras, dicht bij de Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene omheinde ruimte, die vroeger een kerkhof was, maar thans als museum van oudheden te bezichtigen was. Het waren geen graven meer, die er aangetroffen werden, maar brokstukken van grafsteenen, die onder de lage takken van zeer fraaie boomen verscholen lagen, Romeinsche obeliskvormige monolithen, voetstukken uit de middeleeuwen, stukken van Dorische friezen en anderen, afkomstig uit den Renaissance-stijl, verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen van vuur en asch te bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras.
De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts de moeite te nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone, binnen, die evenwel deze meewarige opmerking niet kon onderdrukken:
„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te maken, dan zou waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.”
„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem.
„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts één gelukkigen dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik vraag niet meer.”
„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.”
„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren. En toch weet God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld worden.”
„Kom steeds voort!” hernam Sarcany.
„Waarheen?”
„Kom maar.”
Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen grafsteenen en eene dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm van een Romaansche roos uitgebeiteld en met den vloer gelijk was.
Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te bevallen, maar zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan ook weldra, terwijl hij een paar krampachtige spiertrekkingen der kaakbeenderen niet kon onderdrukken:
„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast zich niet om ons te hulp te komen!”